Vangnet

| Redactie

Het commentaar van U-Today. Welzijnsproblemen bij studenten los je niet op met een smak geld. Maar als het de UT menens is, dan zou ze meer moeten doen dan het versterken van het huidige aanbod om de problematiek aan te pakken.

De UT zegt het welzijnsprobleem bij studenten serieus te nemen. Een onlangs gepresenteerd plan van aanpak naar aanleiding van een groot onderzoek eind 2019, moet handen en voeten geven aan het ‘vroegtijdig oppikken’ van signalen en preventie bij die studenten. Maar nieuw beleid komt er niet, de UT investeert een kleine ton in het versterken van het huidige aanbod. Dat is een mager resultaat voor een universiteit die zich graag als ‘people first’ en inclusief afficheert.

Problemen met geestelijke gezondheid zijn natuurlijk niet op te lossen met een smak geld. Maar tegelijk zegt het veel dat de UT niet meer dan een ton uittrekt voor studentenwelzijn. Het is appels met peren vergelijken, maar honderd mille valt in het niet bij de maximaal 1,3 miljoen die bij de verkoop van de High Tech Factory moet, de tegenvaller van een miljoen bij de renovatie van de Technohal of het nog onbekende bedrag dat de UT verliest op de Hogekampverbouwing.

Het persbericht dat de UT rondstuurde en op de website plaatste bij de lancering van het plan van aanpak, komt wat wereldvreemd over. ‘We zetten in op vroeg-signalering en preventie’, is de kop. De strekking: welzijnsproblemen bij jongeren zijn een landelijk probleem. De UT is niet bijzonder, maar we voelen ons wel verantwoordelijk. In die boodschap zitten twee problemen: het diskwalificeert het onderzoek vanuit de BMS-faculteit eind 2019 en het opent de weg naar een beleidsarm plan van aanpak.  

In de aanpak van de welzijnsproblemen danst de UT om het grootste penarie heen. Ze benoemt dat groepen vrouwen, LHTBI, internationale bachelors en studenten met een studiebeperking extra kwetsbaar zijn, maar laat nieuw beleid voor deze groepen achterwege. Dat is des te schrijnender, omdat bijvoorbeeld de Commissie Persoonlijke Omstandigheden al jaren waarschuwt dat het niet goed gaat met deze studenten. De boodschap dat zij nog moeten wachten op nieuwe en passende maatregelen, is te mager. Dat is zeker het geval voor de groep internationale bachelorstudenten, die de UT actief werft.

Het aanstellen van de ombudsman is een ander voorbeeld waar de UT meer ruggengraat had kunnen laten zien. Het is een prima initiatief om een onafhankelijk en inhoudelijk stevige functionaris naast de vertrouwenspersonen neer te zetten. Maar de UT koos, in tegenstelling tot sommige andere universiteiten, voor een ombudsman met een beperkt mandaat. Hij is er voor het luisterend oor, kan advies en begeleiding geven en doorverwijzen. Maar onderzoek doen naar een klacht en die beslechten, zoals bijvoorbeeld bij de VU in Amsterdam, dat doet hij niet. ‘I’m not a judge, I’m a mediator’, zegt hij daar zelf over.

Het is een utopie om welzijnsproblemen met geld alleen op te lossen. Maar als de UT daadwerkelijk menens is, dan zou ze meer moeten doen dan het versterken van het huidige aanbod om de problematiek aan te pakken. Juist de kwetsbare groepen glippen door de mazen van het huidige vangnet. De conclusie om die te versterken is juist, maar nieuw beleid om hen op te vangen als ze vallen, is op zijn plaats.