Ziekteverzuim hr ‘een serieus signaal’

| Rik Visschedijk

Het ziekteverzuim bij de dienst human resources (hr) is eind 2017 gestegen naar negen procent. De dienst is daarmee koploper op de UT. Directeur hr, Joost Sluijs: ‘Er wordt veel gevraagd van onze medewerkers. Elke faculteit wil weer iets anders. Dat is soms moeilijk.’

Een relatief hoog ziekteverzuim bij hr is niet nieuw. In 2016 was het percentage medewerkers dat ziek thuis zat bij hr het hoogst: 7,5 procent. Sluijs noemt de verdere stijging ‘een serieus signaal’. ‘Een deel van het verzuim staat los van het werk, daar hebben we geen invloed op. Maar iedere werkgerelateerde ziekmelding is zorgwekkend. Daar moeten we niet voor weglopen.’

Voorkomen

De dienst hr is volgens Sluijs volop bezig om te voorkomen dat mensen uitvallen. ‘We geven trainingen om competenties en kennis op te bouwen’, vervolgt hij. ‘En we hebben aandacht voor het stellen van prioriteiten. Als mensen toch uitvallen, dan onderhouden we direct contact met arboleverancier ArboUnie. Zij adviseren ons wat we kunnen doen om weer succesvol aan het werk te gaan en in de toekomst verzuim te voorkomen.’

Complexe organisatie

Tegelijk ziet Sluijs dat het tegengaan van werkgerateerd ziekteverzuim lastig is. ‘We werken in een complexe organisatie en in feite is iedere project maatwerk. Alle faculteiten en leerstoelen hebben  hun eigen uitdagingen en doelstelling. Dat maakt het lastig om werk te standaardiseren. Die druk voelen onze medewerkers. Daarbij is hr met zo’n zestig mensen een relatief kleine club. Iedere ziekmelding, dus ook niet-werkgerelateerd, zie je direct terug in het verzuimpercentage.’

Sluijs benadrukt dat de dienstverlening van hr niet te lijden heeft onder het verzuim. ‘Daar doen we geen concessie aan’, zegt hij. ‘Zodra iemand uitvalt huren we meteen extern capaciteit in. En belangrijker nog, ik wil een volgende stap zetten met de dienst. Onze mensen moeten de capaciteiten en ruimte hebben om in deze complexe organisatie hun werk goed te doen. Dan moet je ook af en toe nee kunnen zeggen.’