‘Ik werd vaak herkend door andere studenten'

| Jelle Posthuma

De Colombiaanse Monica Pazos kwam afgelopen zomer als tienduizendste student naar de UT. Ze werd met een limo opgehaald van Schiphol, kreeg een rondleiding door de Grolsch-fabriek en lunchte met de burgemeester. Hoe gaat het nu, een half jaar later, met haar?

Hoe was dat afgelopen zomer, zo’n ontvangst?

‘Dat was natuurlijk een eer. Ik werd de eerste maanden vaak herkend door andere studenten. Dan zeiden ze: ben jij Monica, de tienduizendste student?’

Hoe bevalt het in Twente?

‘Ik ben blij om hier te zijn, want ik wilde in Nederland studeren. Voor mij ging de keuze tussen Delft en Enschede. De Twentse campus sprak mij erg aan, bovendien kon ik hier een scholarship krijgen. Mijn studie Chemical Engineering is intensief en ik studeer veel. De eerste vijf maanden zat ik in het ITC-hotel. Gelukkig heb ik nu via Facebook een mooi huis in de buurt van het centrum gevonden.’   

Moest je wennen aan Nederland?

‘Vooral aan het weer. Ik kom uit Medellin, een grote stad in Colombia. Daar is het eigenlijk altijd 24 graden: wij kennen geen seizoenen. Ook is het in Twente veel rustiger dan in Medellin.’

Ben je ergens lid van geworden?

‘Ja, ik zit bij de studievereniging van Chemical Engineering en ik volleybal bij Harambee. Ons team bestaat uit allemaal Nederlanders en één Frans meisje. Ik train twee keer in de week. Met het team eten we altijd voor de training, zo heb ik de Nederlandse keuken al een beetje leren kennen. In De Vestingbar ben ik nog niet vaak geweest. Ik ga niet zo vaak op stap.’ 

Mis je Colombia?   

‘Nou, ik hoop vooral dat mijn familie nog een keer naar Enschede komt. Dan kan ik ze de campus laten zien. Afgelopen kerstvakantie bleef ik in Nederland. Voor de internationals die toen in Enschede bleven, maakte een groepje Nederlandse studenten uit mijn jaar een kerstmaaltijd.’

Hoe ziet de toekomst eruit?

‘Ik zal hard moeten studeren voor mijn master en volgend jaar wil ik stage lopen in Nederland. Waarschijnlijk wel in een andere stad dan Enschede.’