Daling onderzoeksgeld baart UT zorgen

| Rik Visschedijk

De omzet die de UT haalt uit de tweede en derde geldstroom is tussen 2012 en 2016 gedaald van 86 miljoen naar 76,3 miljoen euro. Dat valt te lezen in de managementrapportage die binnenkort in de Uraad besproken wordt. Met de afrondende fase van UT 2020 hoopt de UT het tij ten gunste te keren.

Photo by: Gijs van Ouwerkerk

Behalve dat de UT volgens deze cijfers achterblijft in de tweede en derde geldstroommiddelen, ligt ook het aantal projectenvoorstellen en hun slaagkans bij de laagste van de Nederlandse universiteiten. De UT staat ‘qua rangorde onderaan de lijst’, aldus de rapportage. Het CvB noemt in dit rapport de ontwikkeling ‘zeer zorgwekkend’.  

Trend keren

Collegevoorzitter Victor van der Chijs geeft in een reactie aan dat deze cijfers ‘niet nieuw’ zijn. ‘We hebben de dalende lijn al een hele tijd geleden ontdekt’, zegt hij. ‘We schrijven het nu zo expliciet op omdat we de organisatie scherp en alert willen houden. We zijn volop bezig om de negatieve trend te keren, we zitten in de afrondende fase van UT 2020 en de herinrichting van ons onderzoek. Daarmee maken we onze organisatie slagvaardig.’

Weinig middelen, lage slaagkans

De cijfers uit de managementrapportage komen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daaruit blijkt dat de UT vorig jaar 39,6 miljoen aan tweede geldstroommiddelen binnenhaalde.

Verder verzilverde de UT 12,9 procent van de projectvoorstellen. De andere technische universiteiten behaalden betere resultaten: Delft 16,5 procent, Eindhoven 16,2 procent en Wageningen 14,4 procent.

Als het gaat om de derde geldstroom – onder andere ERC-financiering – haalde de UT vorig jaar in totaal 12,7 miljoen euro binnen. Ter vergelijking: voor Delft was dat 45,6 miljoen en Eindhoven 16,9 miljoen.

Minder promovendi en promoties

Niet alleen de omzet uit de tweede en derde geldstroom laat een terugloop zien, ook het aantal promovendi en promoties gaat dit jaar waarschijnlijk niet de UT-doelstelling halen. Er zijn 230 promoties begroot, het CvB verwacht in de managementrapportage dat er tussen de 210 en 220 gerealiseerd worden. Een onderdeel van het probleem is de lage doorstroom uit de eigen masteropleidingen. Doel is om 5 procent van de afgestudeerden door te laten stromen naar een promotieplek. Dat percentage wordt met 3,5 procent niet gehaald. 

‘Overheid investeert te weinig’

Van der Chijs benadrukt – als  onderdeel van het problematiek -  dat de Nederlandse overheid weinig in onderzoek en innovatie investeert. ‘Daarom voeren we in 4TU-verband een constante lobby om dat tij te keren’, zegt hij. ‘Dat probleem zie je ook bij de bekostiging van het onderwijs. Het geld dat we krijgen vanuit Den Haag blijft achter bij de groeiende studentenaantallen. Om dat te ondervangen verplaatsen we middelen van onderzoek naar onderwijs.’