Photo by: christiaan krouwels
Honorary Doctorates

‘De Nederlandse wetenschap moet toegroeien naar verandering’

| Rense Kuipers

Het cv van Wim van Saarloos (1955) is onmogelijk op één A4tje te vangen. De Leidse emeritus hoogleraar theoretische fysica krijgt van de UT een eredoctoraat vanwege zijn verdiensten als wetenschapper, wetenschapsbestuurder en -visionair. ‘We staan voor de uitdaging om meer mensen zich thuis te laten voelen in de Nederlandse wetenschap.’

Het is een minuut of twintig wandelen van station Leiden Centraal naar het kantoor van Wim van Saarloos. Onderweg is het moeilijk ontkomen aan grootheden uit de natuurkunde: Zernike, Bohr, Planck, Galilei, Einstein... De naar hen vernoemde wegen leiden over een uitgestrekt Bio Science Park naar een gebouw vernoemd naar een andere grootheid, Jan Hendrik Oort, medeontdekker van de rotatie van het Melkwegstelsel.

Het thuis van de Leidse fysici, en daarmee ook van de kersverse emeritus hoogleraar Wim van Saarloos, bevindt zich tussen de gebouwen van farmaceut Janssen en de ruimteonderzoekers van SRON. De gangen zijn lang en laag. Het kantoor van theoretisch fysicus Van Saarloos oogt ‘gezond rommelig’: een goedgevulde boekenkast, een vouwfietsje in de hoek, een verdwaald papiertje met formules erop gekrabbeld. Ondanks zijn emeritaat is hij niet zomaar weg te slaan van het Leidse Lorentz Instituut (nog zo’n grootheid).

Wij met elkaar, dat gevoel krijg ik altijd als ik op de UT ben’

Vriendenclub

In zijn bescheidenheid is Van Saarloos de laatste die zichzelf tot grootheid zou bombarderen. Het eredoctoraat vanuit de UT kwam dan ook als een buitengewone en aangename verrassing, vertelt hij. ‘Absoluut een eer en heel bijzonder. Het is mijn eerste en waarschijnlijk ook enige eredoctoraat. Ik heb altijd al een zwak gehad voor de UT, vooral vanwege de sfeer. Het doet aan als een vriendenclub. Wij met elkaar, dat gevoel krijg ik altijd als ik op de UT ben. Dat ik via dit eredoctoraat daar ook iets van meekrijg, is ontzettend leuk en eervol.’

Het zijn de mensen die de sfeer maken. En die mensen kent hij goed. Zo leerde hij oud-rector Thom Palstra in de jaren tachtig kennen bij het vermaarde Amerikaanse Bell Labs. Ook had hij er naar eigen zeggen een hand in dat huidig UT-collegevoorzitter Vinod Subramaniam in 2013 wetenschappelijk directeur werd van onderzoeksinstituut AMOLF. En hoogleraar Jacco Snoeijer promoveerde ooit bij Van Saarloos. Maar de meest bijzondere band heeft hij met universiteitshoogleraar vloeistoffysica Detlef Lohse, tevens (samen met Thom Palstra en TGS-decaan Ariana Need) zijn erepromotor. Ze kenden elkaar al voordat Lohse aan de UT begon. ‘Detlef is in alle opzichten een bijzondere man. Hij is de enige wetenschapper die ik ken die het leuk vindt om een onderzoeksvoorstel te schrijven. Daar begint voor hem de wetenschap al, de zoektocht, het gepuzzel.’

Eigen pad

Van Saarloos groeide op in het Friese Franeker. Zijn interesse voor wetenschap ontstond op het gymnasium in Leeuwarden. ‘Daar ontdekte ik dat ik niet hoefde te werken voor natuurkunde. Het was uit zichzelf leuk, interessant, uitdagend... Mijn toenmalige docent kwam uit Delft, een echte ingenieur. Voor mij was hij fantastisch, maar ik durf wel te zeggen dat het tegenovergestelde gold voor de leerlingen die moeite met het vak hadden.’ Terwijl de meeste klasgenoten in Groningen gingen studeren, koos Van Saarloos bewust voor een studie natuurkunde in Delft. ‘Ik kom uit een familie van huisartsen. Mijn vader, grootvader en overgrootvader waren allen huisarts in Franeker. Zeker in dokterskringen was Van Saarloos een bekende naam, daar hing een voor mij wat negatief verwachtingspatroon aan. Ik wilde niet door het leven gaan als de zoon van. Ik wilde afstand nemen, mijn eigen pad volgen.’

Dat ging hem goed af in Delft, in eerste instantie in de toegepaste natuurkunde. Hij studeerde uiteindelijk cum laude af in de theoretische natuurkunde (‘eigenlijk not-done als ingenieur, maar ze maakten een uitzondering’). Op aanraden van hoogleraar en begeleider Hans van Leeuwen toog Van Saarloos naar een relatief grote fysicavakgroep in Leiden, waar hij cum laude promoveerde onder begeleiding van Peter Mazur. Als postdoc kwam hij bij het gerenommeerde Bell Laboratories in het Amerikaanse New Jersey terecht, waar hij achtenhalf jaar bleef. In 1991 keerde Van Saarloos terug aan de Universiteit Leiden, waar hij hoogleraar theoretische fysica werd en zich stortte op de statistische fysica en zachte materialen. ‘Dat zijn materialen die zich kunnen gedragen als vaste stoffen, maar ook niet-elastisch vervormen of stromen. Het meest tastbare voorbeeld is misschien wel een klodder mayonaise. Waar Detlef zich vooral bezighoudt met turbulentie en het gedrag van gewone vloeistoffen als water onder extreme omstandigheden, richt ik me op de meer spontane patroonvorming en complexe vloeistoffen. Wat gebeurt er als je iets nét uit evenwicht brengt?’.

Een lege verdieping en een idee

Een van zijn belangrijkste wapenfeiten uit de jaren negentig is een verdieping hoger te vinden. Van Saarloos maakt van de gelegenheid gebruik om het interview te onderbreken voor een rondleiding in het Lorentz Center, een internationaal instituut voor wetenschappelijke workshops, dat hij met enkele collega’s in 1997 oprichtte en waarvan hij tot 2009 directeur was. ‘Het is een plek waar wetenschappers voor een week of twee samenkomen voor workshops rondom een bepaald thema. Een symposium van een dag is vaak wat kort, te veel een snelkookpan. En tegenwoordig heeft bijna niemand nog tijd voor een sabbatical van een paar maanden. Je kan dit gerust een gulden middenweg noemen.’

Tijdens de rondleiding is aan levendigheid op de gang en in de ruimtes geen gebrek. Huidig Lorentz Center-directeur Arjen Doelman haakt even in. ‘Oh, een eredoctoraat uit Twente? Ik durf wel te raden wie daarachter zit. Wat leuk! Weet je, ik ben ooit op een rijdende trein gesprongen. Wim was degene die die trein op de rails heeft gezet.’ Hij haast zich een paar deuren verder en Van Saarloos vervolgt: ‘We zijn hier niet begonnen met het schrijven van een projectvoorstel, om vervolgens een moeizaam financieringscircuit in te gaan. We hadden een lege verdieping en een idee om wetenschappers samen te brengen. Dat was het.’

Volgens Van Saarloos biedt het centrum in het bijzonder meerwaarde voor beginnende wetenschappers om een netwerk op te bouwen. ‘Je hoeft als jonge onderzoeker in Nederland niet de hele wereld over te vliegen om die samenwerking op te zoeken. Je stapt in de trein en rijdt hier zo naartoe. Je leert elkaar beter en anders kennen dan op een conferentie. Dat is ook de kracht van de Nederlandse wetenschap. Wij hebben geen Oxford of Cambridge, maar wél dertien hartstikke goede universiteiten vlakbij elkaar die nauw samenwerken.’

‘We staan nog steeds voor de uitdaging om meer mensen zich thuis te laten voelen in de Nederlandse wetenschap’

Herstart

Terug naar kantoor voor een herstart van het interview, over de herstart van zijn carrière. Sinds 2009 kent academisch Nederland Van Saarloos immers vooral als wetenschapsbestuurder. Toen werd hij directeur van de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (kortweg FOM). ‘Dat markeerde mijn stap van wetenschapper naar wetenschapsbestuurder. Wat een rol speelde in dat besluit, was dat ik in 2004 en 2007 kanker heb gehad. Ja, het was goed mis. Ik nam op een gegeven moment geen promovendi meer aan, in de wetenschap dat ik er over een tijdje niet meer zou kunnen zijn om ze te begeleiden. Maar het liep gelukkig goed af. Anderen zouden er misschien voor kiezen de Mont Ventoux op te fietsen als herstart van hun leven. Ik koos ervoor bestuurder te worden. Ik weet wel: ik had die stap nooit gezet als ik geen kanker had gekregen.’

Sindsdien cijfert Van Saarloos zich weg voor de Nederlandse wetenschap als geheel. In zijn tijd bij FOM had hij speciale aandacht voor integere samenwerking met de industrie. Als een van de kartrekkers van de sectorplannen voor natuurkunde, medio 2007 al, gaf hij een broodnodige stimulans aan het vakgebied en de bètawetenschappen als geheel. In 2015 leidde hij de complexe reorganisatie van wetenschapsfinancier NWO, waar zijn FOM in opging. In de tussentijd was hij medeauteur van het plan om in 2020 20 procent vrouwelijke hoogleraren te hebben. ‘Mijn drie dochters hebben mijn ogen geopend. Op een gegeven moment had bijna elk lid van het FOM-bestuur een dochter van een jaar of dertien. Ik vroeg aan de anderen: als onze dochters gaan studeren over vijf jaar, in wat voor omgeving komen ze dan terecht? Ik was oprecht bezorgd. Als een van mijn dochters mij had gevraagd of ze ook de natuurkunde in zou moeten gaan, had ik dat niet met volle overtuiging kunnen aanraden. Gelukkig is sindsdien de aandacht voor diversiteit gegroeid en verbreed. Maar we staan nog steeds voor de uitdaging om meer mensen zich thuis te laten voelen in de Nederlandse wetenschap. Dat begint allemaal met begrip.’

Wim van Saarloos, in een notendop

  • Vanaf 2022:         President European Academies Science Advisory Council (EASAC)           
  • 2018-2020:           President van de KNAW
  • 2016-2018:           Vicepresident van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen)
  • 2015-2016:           Transitiemanager Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)
  • 2010-2015:           Directeur Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM)
  • 2008:                      Koninklijke onderscheiding, Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw
  • 2008:                      Winnaar Physicaprijs
  • 2004:                      Benoemd tot lid KNAW
  • 1999:                      Winnaar Descartes-Huygensprijs
  • 1997-2009:           Directeur Lorentz Center, internationaal centrum voor wetenschapsworkshops, Universiteit Leiden
  • 1991-2009:           Hoogleraar Theoretische Fysica, Universiteit Leiden
  • 1984-1990:          Onderzoeker bij afdeling Materials Physics, AT&T Bell Laboratories, New Jersey
  • 1982-1984:          Postdoc bij AT&T Bell Laboratories, New Jersey
  • 1978-1982:          Gepromoveerd in theoretische natuurkunde (cum laude), Universiteit Leiden
  • 1973-1978:          Afgestudeerd in natuurkunde (cum laude), TU Delft

Hoog in de toeren

Het is misschien wel het sleutelwoord voor al zijn inspanningen als wetenschapsbestuurder: begrip. Tussen wetenschap en bedrijfsleven, tussen universiteiten, disciplines en wetenschappers onderling. Maar er zijn nog altijd dingen die hij niet begrijpt, zoals het sterke onderscheid tussen technische en algemene universiteiten, dat alleen in Nederland voorkomt. Of de bekostiging van de Nederlandse wetenschap. Toen hij in 2017 net vicepresident was van de KNAW, schreef hij samen met toenmalig president José van Dijck het essay Wetenschap in Nederland. Van Saarloos en Van Dijck stipten niet alleen de krachten van de Nederlandse polderwetenschap aan, zoals de veelheid aan verbindingen, het concept van vriendelijke competitie, openheid, toegankelijkheid, gelijkheid en vertrouwen. Ze waren er ook relatief vroeg bij met hun conclusie dat het systeem van de Nederlandse wetenschap dreigde vast te lopen, vooral als gevolg van de financiering. ‘Het bekostigingssysteem vanuit de overheid werkt in de basis zo dat een instelling per student geld krijgt. Onderzoek speelt eigenlijk niet mee. Blijf je even groot, maar krimpt je marktaandeel aan studenten, dan wordt er bezuinigd. Met als gevolg dat iedere universiteit jaar in, jaar uit haar marktaandeel probeert veilig te stellen. Vinod noemde dat terecht eens een race to the bottom.’

‘Onze wetenschap is geprojectificeerd’

Dankzij de genoemde poldereigenschappen staat de Nederlandse wetenschap wereldwijd bijzonder hoog aangeschreven, maar inmiddels draait de motor op te hoge toeren, zegt Van Saarloos. ‘Het belangrijkste gevolg van de onderfinanciering is dat de vrije ruimte is afgenomen. Je kan niet zomaar zeggen: ik maak even wat geld vrij om een uitmuntende student als promovendus aan te stellen. Nee, je moet voor alles eerst een projectvoorstel gehonoreerd krijgen. Iedereen stapt voor elk wissewasje naar NWO, met als gevolg een veelheid aan aanvragen, een minder gedegen beoordeling – want ook beoordelaars komen er niet aan toe – en een kleinere slagingskans voor veelbelovende en innovatieve voorstellen. Onze wetenschap is geprojectificeerd.’

Tegengif

Een mogelijk tegengif voor die ‘projectificering’ ziet hij onder andere in zogeheten rolling grants. Daarover schreef Van Saarloos vorig jaar uitgebreid in het essay Meer wetenschap in Nederland, toen hij na twee jaar uitzwaaide als KNAW-president. ‘Als een project afloopt, ben je niet afhankelijk van een nieuw project om een talentvolle student al dan niet aan te kunnen nemen als promovendus. Rolling grants fungeren als overbrugging tussen projecten. Zo kun je als onderzoeker vanuit rust en vertrouwen makkelijker risico nemen.’

Van Saarloos zegt bezorgd te zijn over de staat van de Nederlandse wetenschap. ‘Maar ik weiger alarmistisch te zijn. Daarin speelt ook mee dat er al zoveel wordt geroepen. Het primair onderwijs wil meer geld, de politie ook. Ja, er moet absoluut meer geïnvesteerd worden in de Nederlandse wetenschap en het hoger onderwijs – zoals PwC ook concludeerde – maar niet in één keer. Schokken in een systeem, zowel in negatieve als positieve zin, zijn nooit goed. We moeten als Nederlandse wetenschap toegroeien naar verandering en structureel grotere investeringen. Met meer vertrouwen en ruimte voor talent en excellentie. En begrip voor elkaar.’