'Men kijkt kwantitatief in plaats van kwalitatief naar studenten'

Een open brief van de Partij van de UT en Uraadslid Dik Schipper, gericht aan voormalig staatssecretaris Martin van Rijn. Laatstgenoemde heeft de taak om een alternatief te vinden voor de Nederlandse onderwijsbekostiging. De briefschrijvers hebben daar hun eigen ideeën over.

Onderzoekinstituut CHEPS heeft de knelpunten van de bekostigingssystematiek voor het hoger onderwijs en de mogelijke effecten van aanpassing van de systematiek in kaart gebracht. Als docenten en student van de Universiteit Twente (UT) zien wij op een iets hoger niveau de volgende problemen ten aanzien van het onderwijs in de context van de Nederlandse samenleving: 

  • Het universitaire bestuur is (te) zeer gericht op behoud of uitbreiding van het ‘marktaandeel’ in de studentenstroom: door de huidige bekostiging kijkt men kwantitatief in plaats van kwalitatief naar studenten(aantallen).
  • De verengelsing van opleidingen is vooral economisch gedreven, ondanks dat de instellingen beargumenteren dat het hen te doen is om het bieden van een internationale studieomgeving.
  • Concreet betekent het dat Engels de enige voertaal wordt aan de Universiteit Twente, met alle gevolgen van dien voor de taalbeheersing van studenten en personeel, het niveau van het (technisch en gamma) onderwijs, de toegankelijkheid van de opleidingen voor Nederlanders en de bijdrage van de universiteit aan de Nederlandse kenniseconomie.

Bovenstaande impliceert dat de universiteit zijn primaire taken, het opleiden van Nederlandse studenten en een belangrijke bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie, verwaarloost ten faveure van het vergroten van inkomsten.

De praktijk onderbouwt deze argumenten met ongewenste effecten van internationalisering zoals we die thans waarnemen op onze universiteit, maar ook op andere universiteiten:

  • Of het nu aan de wet of de handhaving ligt, feit is dat de instellingen zoals de UT geen enkele rem voelen ten aanzien van verengelsing, tot en met het volledig uitbannen van de Nederlandse taal op de universiteit. Dit blijkt ook uit de bevindingen van de onderwijsinspectie.
  • De snelle groei van aantallen Europese studenten leidt wel tot extra inkomsten, maar de groei van studentafhankelijke budgetten dekken de extra kosten van wetenschappelijk personeel niet: de vaste voet voor onderwijs en de onderzoekbekostiging veranderen niet mee.
  • Niet-Europese bachelor studenten betalen een hoog collegegeld, maar komen in grote getalen (meer dan 30%) in psychische en/of sociale problemen.
  • Grote groepen studenten komen al met een beperkte beheersing van de eigen taal binnen, en dan is het bereiken van een academisch niveau in het Engels een illusie. Dat geldt ook voor technische studenten.
  • Uit efficiëntie-overwegingen worden opleidingen alleen in het Engels aangeboden in plaats van, in ieder geval, in het Nederlands – en soms is het aandeel Nederlanders minder dan 20%.
  • De werkdruk onder docenten door toenemende studentenaantallen neemt onaanvaardbare vormen aan. Dat heeft onmiskenbaar negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs.

Wij zijn voorstander van het bieden van een internationale ervaring aan studenten (en personeel), maar prioriteit dient de kwaliteit van onderwijs (en onderzoek) te zijn èn onze maatschappelijke opdracht om jongeren tot goede ingenieurs en promovendi op te leiden, die binnen de Nederlandse kenniseconomie het verschil willen en kunnen gaan maken. De Nederlandse maatschappij en hun vertegenwoordigers in de politiek zullen dat uitgangspunt onderschrijven.

Wij constateren een preoccupatie met inkomsten en marktaandeel bij de instellingsbesturen en een beperkte opvatting van de VSNU, dat de overheid over de brug moet komen met extra geld voor het oplossen van knelpunten en voor verdere groei van studentenaantallen.

De overheid (de politiek) dient het onderwijs duidelijke regels en prikkels op te leggen die de bovengenoemde negatieve consequenties stoppen. De overheid dient samen met de onderwijsinstellingen vast te stellen wat de taak van de onderwijsinstellingen is en hoe zij de Nederlandse samenleving het beste kunnen dienen. De maatschappelijke taak en de doelmatige besteding van overheidsmiddelen door universiteiten dienen herijkt te worden en duidelijk voorop te staan. Zodoende ontstaat er een duurzame toekomst voor de onderwijsinstellingen.
De bekostigingssystematiek dient te bevorderen dat de onderwijsinstellingen taken uitvoeren in het belang van de Nederlandse samenleving.

Wij geven de commissie Van Rijn daarom in overweging om in zijn voorstellen ten aanzien van wijziging van de bekostiging (voor de korte en lange termijn) en van daaraan gekoppelde regelgeving, aandacht te besteden aan de volgende punten:

  1. De historisch bepaalde vaste voeten dienen, op grond van (in aard en omvang) actuele activiteiten en faciliteiten van de opleidingen en van de onderzoekprogramma’s, herijkt te worden.
  2. Het belang van studentenaantallen dient in de bekostiging te verminderen, bijvoorbeeld door de vaste voeten te verhogen of verhoging van bekostiging afhankelijk te maken van maatschappelijke behoefte aan afgestudeerden.
  3. De toegankelijkheid van Nederlandstalige opleidingen te waarborgen, bijvoorbeeld:
    - een pakket bacheloropleidingen die in ieder geval in het Nederlands moeten worden aangeboden,
    - staken van rijksbekostiging als een opleiding structureel meer dan x% buitenlanders herbergt en
    - een korting op de vaste voet indien een universiteit meer dan y% buitenlanders opleidt.
  4. Het uitgangspunt van het ‘binaire HO-stelsel’ aan te scherpen: beroepsopleidingen en op professionele beroepsuitoefening gerichte studenten in het hbo en academische opleidingen in het WO. De lat bij het toetsen op voldoende academisch niveau in het WO moet bij de accreditaties hoger worden gelegd.


Gert Brinkman, docent en studieadviseur, lid universiteitsraad

Dick Meijer, wiskundedocent, lid universiteitsraad

Dik Schipper, hoogleraar werktuigbouwkunde, lid universiteitsraad

Vincent Witmond, masterstudent Industrial Engineering & Management, lid universiteitsraad