News

‘Dit bekostigingsmodel heeft zijn beste tijd gehad’

| Rense Kuipers

Een van de beloftes uit het regeerakkoord is dat de bekostiging van het hoger onderwijs op de schop gaat. Een rapport van de UT-vakgroep CHEPS, die onderzoek doet naar hogeronderwijsbeleid, gaf minister Van Engelshoven alvast stof tot nadenken. Hoofdonderzoeker Ben Jongbloed: ‘Waar de ene instelling wint, verliest de ander.’

In jullie rapport komen veel knelpunten in de financiering van universiteiten naar voren. Van matchingskosten voor gesubsidieerd onderzoek tot meer duurdere (technische) studenten. Is de situatie zo complex?

Jongbloed: ‘Ja, zo is de realiteit voor alle instellingen in het hoger onderwijs. Er zijn veel zaken die ze met beperkte middelen voor elkaar moeten boksen. Het punt is dat het huidige model een verdeelmodel is, geen open einde-model dat geld verdeelt op basis van wat iets kost. Zie het als een taart die onder alle instellingen verdeeld moet worden. Als je als universiteit ten opzichte van andere universiteiten beter presteert, krijg je een groter deel van de taart. Oftewel: je moet hard blijven lopen – idealiter harder dan andere instellingen – om je deel van de taart veilig te stellen.’

Hoe bepaalt het ministerie wie wat krijgt?

‘Met een set bekostigingsformules. In grote lijnen is de rijksbijdrage voor universiteiten opgedeeld in een onderwijsdeel en een onderzoekdeel. Inschrijvingen en diploma’s van studenten zijn erg bepalend voor het onderwijsdeel. In het onderzoekdeel tellen onder meer het aantal promoties mee, maar het grootste deel (55 procent, red.) wordt bepaald door een per universiteit vastgestelde vaste toewijzing, waarvan de logica nog stamt uit de jaren tachtig. De instellingen krijgen budget in de vorm van een onderwijs- en een onderzoekdeel als lumpsum uitgekeerd, maar kunnen het naar eigen inzicht herverdelen over onderwijs en onderzoek.’

‘Het onderwijsdeel van de lumpsum stijgt wel mee met de studentenaantallen, maar eigenlijk niet hard genoeg als je rekening houdt met het gegeven dat er steeds duurdere techniekstudenten zijn. En het onderzoekdeel loopt écht achter. Dat stijgt vrijwel niet en dat gaat knellen, zeker als je geconfronteerd wordt met steeds hogere apparatuur- en laboratoriumkosten.’

Hoe uiten de knelpunten zich in de praktijk?

‘Neem de toename van techniekstudenten. De overheid moedigt jongeren aan om voor techniekstudies te kiezen, maar de gemiddelde technische student is duurder dan de gemiddelde rechten- of economiestudent. Daarbij komt dat veel niet-technische opleidingen ook steeds meer technologie nodig hebben en het onderwijs intensiever wordt. Dat betekent meer personeel en duurdere wetenschappelijke infrastructuur.’

'Succes wordt eigenlijk afgestraft'

‘Verder is matching een groot probleem voor universiteiten. Als onderzoekers subsidies binnenhalen uit de tweede en derde geldstroom, zijn die subsidies nooit voldoende om de integrale onderzoekskosten te dekken. De instellingen zelf moeten dan financieel bijpassen uit de rijksbijdrage, oftewel de eerste geldstroom. Kortom, universiteiten moeten tegenwoordig goed nadenken over het wel of niet laten indienen van onderzoeksvoorstellen door hun onderzoekers. Want ironisch genoeg is het zo dat hoe succesvoller je bent met het binnenhalen van onderzoeksubsidies, hoe hoger de prijs is die je daarvoor moet betalen. Succes wordt eigenlijk afgestraft.’

Kent het huidige bekostigingsmodel ongewenste prikkels, zoals studenten door opleidingen heen jagen?

‘Ik denk dat die prikkel meevalt. Universiteiten worden goed in de gaten gehouden door keurmeester NVAO, die de onderwijskwaliteit bewaakt. En ze zijn bezorgd over hun reputatie. Veel opleidingen gaan nog steeds wel voor het maximaliseren van het aantal studenten. Wat een ongewenste prikkel zou kunnen zijn, is het aanbieden van trendy studies die veel studenten trekken. Een beetje onderlinge concurrentie is niet slecht, begrijp me niet verkeerd. Maar er moet beter worden nagedacht over waar onze onderwijssubsidies naar toe gaan en of de samenleving daarvoor voldoende terugkrijgt. Duplicatie van opleidingen is niet wenselijk. Ze moeten duidelijker van elkaar verschillen: in profiel, kwaliteit en wellicht ook in prijs.’

'Iedereen is bang om in te leveren'

Uit het rapport blijkt dat instellingen terughoudend zijn om voorstellen te doen over aanpassingen in de bekostigingssystematiek, maar tegelijkertijd schreeuwen ze dat de knelpunten moeten worden aangepakt. Zitten ze niet in een wurggreep?

‘Instellingen zijn meer eensgezind over wat niet moet worden aangepast dan over wat wel moet worden aangepast, dat zeggen we ook in ons rapport. En toch is verandering nodig. Maar alles wat de ene groep instellingen voorstelt, wordt door een andere groep met argwaan bekeken of bestreden. Wat niet zo gek is, aangezien we te maken hebben met een verdeelmodel. Iedereen is bang om in te leveren. Daarom verzocht de minister een commissie onder leiding van voormalig staatssecretaris Martin van Rijn om voorstellen te doen.’

Jullie hebben in het rapport gekeken naar varianten binnen het kader van het huidige model. Wat voor conclusies zijn daaruit te trekken?

‘Dat er niet een unieke eenvoudige variant is die zaligmakend is. Als je aan het ene knopje draait, betekent dat dat sommige instellingen winnen, maar andere verliezen. Het is als het kermisspel Whac-a-Mole. Je kunt wel een mol terugslaan in zijn hol, maar dan komt er op een andere plek weer eentje tevoorschijn. We hebben bijvoorbeeld gekeken naar het verhogen van het bekostigingsniveau van de bèta- en technische opleidingen. Als je dat gelijkschakelt met het niveau van de medische opleidingen, zoals weleens is voorgesteld, krijg je allerlei elkaar tegenwerkende en weglekeffecten. Technische universiteiten krijgen dan weliswaar meer geld per inschrijving en diploma vergeleken met nu. Maar het zou flink ten koste gaan van alle andere universiteiten, want het bedrag dat zij gemiddeld per student krijgen daalt. Het geld moet immers ergens vandaan komen.’

'Komt het geld wel terecht bij de instellingen die kampen met de meest nijpende knelpunten?'

Een voor de hand liggende oplossing is meer geld, zo zegt ook de belangenvereniging VSNU. Maar daar hebben jullie niet naar gekeken in dit onderzoek.

‘Klopt, dat was niet onderdeel van de onderzoeksopdracht die we kregen van het ministerie. Sowieso zegt de minister dat dit het uitgangspunt is voor de Commissie Van Rijn en dat ze het budget niet zomaar kan verhogen.’

Maar meer geld is wel de oplossing?

‘Het is de makkelijkste oplossing. Meer geld zou betekenen dat als het verdeelmodel wordt aangepast, de instellingen die door het draaien aan de knoppen minder geld dreigen te krijgen daarvoor kunnen worden gecompenseerd. Ze gaan er dan in ieder geval niet op achteruit. Maar het is altijd de vraag of geld dat extra beschikbaar komt ook goed wordt besteed. Komt het geld wel terecht bij de instellingen die kampen met de meest nijpende knelpunten? Of verdampt het geld? De Rekenkamer heeft recent de nodige twijfels uitgesproken.’

'Misschien zit de oplossing niet in dit model'

Dus de uitweg is uiteindelijk aan de minister en de Tweede Kamer om te bepalen?

‘Klopt. Maar eerst buigt Van Rijn zich voor een periode van een half jaar over alternatieven. In ons rapport hebben we genoeg stof tot nadenken aangedragen. De minister moet op basis van het advies van Van Rijn bepalen waar ze de nadruk op wil leggen. Het is maar net welke problemen ze het eerst wil oplossen. Zoals altijd is het de vraag of de instellingen die het hardst roepen dat ze meer nodig hebben daar ook het meeste recht op hebben. Dat maakt het voor de minister een lastige opgave. Het is de politieke economie van het hoger onderwijs.’

Tot slot, wat kunt u de commissie en de minister aanraden op basis van dit rapport?

‘Er zijn geen gemakkelijke oplossingen voor financiële knelpunten als de basis van het model en de grootte van de taart hetzelfde blijven. Misschien zit de oplossing niet in dit model, omdat het een rigide model is dat vooral gedreven wordt door formules en parameters. Zoals het er nu voor staat denk ik dat dit bekostigingsmodel zijn beste tijd heeft gehad. Ik denk dat we over moeten stappen op een model waarin afspraken centraal staan; een model dat minder rigide is en meer nadruk legt op kwaliteit. En laten we daarnaartoe groeien. Al is het maar in kleine stapjes.’