Strong thinkwork from CvB

| Gert Brinkman

Ik las onlangs het Manifest Engelse taal van de UvA,en een artikel van Ger Groot in Trouw van 22 november: ‘In het Engels kun je niet denken’. Zo nu en dan komt er weer een stuk langs waarin direct of indirect aandacht wordt gevraagd voor een in de WHW vastgelegd uitgangspunt in het hoger onderwijs, artikel 7.2: ‘Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands’. Not, dus. Het uitgangspunt wordt zonder discussie met voeten getreden. En nadenken op het niveau van universitair management? Ho maar.

Photo by: Freeimages.com

Niet goed, want dit soort manifesten zijn een terechte schreeuw om aandacht voor een belangrijke zaak in het universitaire onderwijs, namelijk de taal waarin kennis wordt overgedragen, verworven en toegepast. Zaken waarover veel bekend is uit onderzoek en ervaringen, maar waar bedroevend weinig mee gebeurt. Ervaring heeft Maastricht bijvoorbeeld wel. Een jaar of acht geleden was de conclusie van (te) veel alumni: in het Engels kunnen we eigenlijk niet concurreren met native speakers en in het Nederlands hebben we het nooit aangeleerd gekregen. Dan kun je dus twee keer te weinig, fijn.

Verder zijn er studies en publicaties van de Onderwijsraad over precies dit issue. Conclusie, onverkort en iedere keer weer: hoger onderwijs primair in de landstaal, Engels alleen als de noodzaak daartoe aangetoond is en in dat geval veel aandacht voor ondersteuning en expliciete thematisering in het onderwijs, van zowel het Engels áls het Nederlands.

Vreemde taal aanleren

Onderzoek naar taalverwerving dan. Hoogleraren als Kees de Glopper houden zich er al lang mee bezig. Wat weten we? Nederlanders van buitenlandse afkomst beheersen de Nederlandse taal slechter naarmate ze hun eigen taal minder goed beheersen (wat gebeurt na langere tijd in Nederland). Als de moedertaal thuis niet op orde is, dan wordt het aanleren van een vreemde taal des te moeilijker, blijft onvolledig.

Geldt dat nu ook bij taalverwerving op hogere niveaus? Ja! Als iemand op academisch niveau wil aansluiten in een voor hem vreemde taal, dan zal het met zijn moedertaal heel goed moeten zitten. Pas dan kan aansluiting en hoog-niveau doorgroei in een complexe (academische) context plaatsvinden. Daarnaast moet het aanvangsniveau Engels hoog zijn wil een academicus zich disciplinair goed kunnen ontwikkelen in die vreemde taal. Dit wordt de treshhold hypothesis genoemd (o.a. J. Cummins, 1984).

Taalniveau van vwo’ers

Hoe is het dan gesteld met het taalniveau van Nederlanders en met name vwo’ers? Eerst maar eens onderzoek van Bert van Onna en Carel Jansen (2006). Wat krijg je te zien als je aan de werkende bevolking vraagt hoe goed ze in Engels zijn, en daarna hun feitelijke niveau gaat meten? Antwoord: van alle bevolkingsgroepen in Europa vertonen Nederlanders het grootste gat tussen het zelf ingeschatte niveau en het gemeten niveau. Wil je nog een leuke? Dat gat wordt groter naarmate Nederlanders hoger zijn opgeleid.

Terug naar de vraag ‘hoe is het gesteld met het taalniveau van vwo’ers?’ Over de Nederlandse taal zal ik zwijgen, want dat is een complexe vraag die je niet zomaar afdoet met een taaltoets. De situatie voor de Engelse taal is veel duidelijker, omdat dat makkelijker als een relatieve kwestie te beschouwen is. De overweging daarbij is als volgt. De bandbreedte van het uitstroomniveau vwo Engels is groter dan ooit.

Vandaag de dag zijn er studenten die een tto-vwo (tweetalig onderwijs) verlaten met een certificaat Cambridge proficiency op zak, met daarbij een tussenjaar in Engeland (nou, tegen die tijd zit je Engels wel goed hoor), maar je hebt ook studenten die met een mager zesje voor Engels van het vwo komen. Die laatste groep - vooruit ik neem de 7-halers er ook bij - is voorlopig nog de overweldigende meerderheid.

Boekenkast in drie vreemde talen

Een terzijde. Die eerste groep is een nieuwe elitaire variant van wat in begin jaren ‘70 nog algemeen gold. Frits van Oostrom (voormalig voorzitter KNAW) heeft dat ooit eens mooi verteld tijdens een bijeenkomst van de Vereniging Interuniversitair Overleg Taalbeheersing (VIOT). Toen hij in ‘71 naar de universiteit ging, werden die instituten grotendeels nog bevolkt door jongelingen die niet alleen op school werden opgevoed in vreemde talen, maar waar thuis een goed gevulde boekenkast stond in minstens drie vreemde talen, talen die ook actief gesproken werden door de huisgenoten.

Van die werkelijkheid, zei van Oostrom, zijn we na de jaren ‘70 en ’80 ver verwijderd. Of dat een overweging moet zijn bij het invoeren van Engels als voertaal, reken maar. Het instroomniveau is tegenwoordig in het algemeen genomen, niet hoger dan wat op school werd aangeleerd. Dat daarnaast het Engels als lingua receptiva aan kracht en kundigheid heeft gewonnen, onderschrijf ik in zoverre dat dat vooral één genre betreft, namelijk dat van het alledaagse (inclusief ‘slang’) Anglo-Amerikaans.

Eerst leren nadenken in je moerstaal

Conclusies? We moeten nadenken over de vraag wanneer in de academische opleiding begonnen wordt met Engels als voertaal en op welke wijze. Zoals in het manifest van de UvA-medewerkers gesteld: in belangrijke opzichten lijkt een promotietraject mooi op tijd te zijn. Oftewel: eerst maar eens leren nadenken als academicus in je moerstaal. Daarna het Engels systematisch ondersteunen.

Maar we doen toch al bacheloropleidingen in het Engels? Gaat fantastisch! Prima, leg eens blind een aantal afstudeeropdrachten ter beoordeling voor aan medewerkers van Engelse universiteiten en omgekeerd? Zullen we eens zien wie het het verst schopt. Het is al wel eens gedaan en het beeld is ontluisterend. En het helpt je niets om genuanceerd te gaan doen over taalgebruik versus inhoud ten aanzien van de eindbeoordeling. Deze jongeren komen met hun onderontwikkelde Engels op de arbeidsmarkt en daar telt het wél……….. zie vervolgens het verhaal van Maastricht. Daarbij kan de maatschappij trouwens nog vreemde claims gaan leggen ook: ‘Ze hebben bij jullie toch Engelstalig onderwijs genoten? Nou dan.’

Taal van de techniek

En dan bestaat er natuurlijk nog de opvatting (of misvatting?) dat een vreemde taal vooral een uitdaging is voor de gammawetenschappen. Ten aanzien van de technische opleidingen bestaat nog wel eens de opvatting dat de vakterminologie toch voornamelijk Engels is, dat je met een beperkte woordenschat en dito uitspraak in het onderwijs (geven of ontvangen) een heel eind komt. Want de taal van de techniek is veelal niet een natuurlijke taal dus universeler; de taal van de werktuigbouwkundige is de tekening, en meer van dat soort sterke teksten.

Het zal waar zijn, maar op die redenering valt ook veel af te dingen. Zo vergt ‘het verkopen van ons vakgebied’ en ‘reflecteren op het belang van technische ontwikkelingen voor de maatschappij’ een behoorlijk hoogwaardige taalvaardigheid, om nog maar te zwijgen over het toepassen van technieken en methoden in allerlei praktische applicatiegebieden waarin ook nog eens interdisciplinair gewerkt wordt.

De discussie is gewoon nog niet gevoerd, maar misschien komt er aan het eind uit: Engels moeten we dadelijk inzetten, aan het begin van de bachelor. Vooruit dan, maar dan zul je toch eerst goed moeten nadenken over je verantwoordelijkheden als opleider van academisch geschoolden. Willen ze als academicus kunnen concurreren (en niet een paar, maar allen) op een internationale arbeidsmarkt, dan zul je ze toch van meet af aan in die taal moeten scholen (en dat is lichtelijk meer dan ‘leren door te doen’!).

Hoe gaan we dat doen?

Hoe gaan we dat doen? Instroomniveau meten (die is heel verschillend zal blijken), gericht scholen (gedifferentieerd dus, en hoe doe je dat het best?), uitstroom niveau meten. En wat kost dat alles, by the way? Ook over deze kwesties bestaat er een veelheid aan studies, overwegingen en oplossingsrichtingen.

Van deze hele rijkdom aan overwegingen, beschouwt ons CvB er maar één: als we geen internationale instroom trekken, dan zijn we over 10 jaar dood. We moeten mee in de vaart der volkeren. Dús laten we eerst maar eens alles in het Engels gaan doen. Sterk denkwerk mannen.

Gert Brinkman, namens de PvdUT-fractie in de universiteitsraad