‘Ik liep weleens een tentamenruimte binnen en dacht: shit, dit moet vast de verkeerde zaal zijn. Dit zijn niet mijn studenten…’ Na twee keer knipperen met zijn ogen bleken het wel degelijk de elektrotechniekstudenten te zijn van universitair hoofddocent Anne-Johan Annema. Hij had een aanzienlijk deel echter nooit gezien in zijn hoor- en werkcolleges.
Werktuigbouwkunde-docent Jurnan Schilder kan het vergelijkbaar becijferen, als het gaat om zijn vak Dynamica 2. ‘Ik heb tweehonderd studenten bij de hoorcolleges, vijftig bij de werkcolleges en ik moest vierhonderd tentamens nakijken.’
Neerwaartse trend?
Een totale leegloop uit de collegezalen? Zulke sterke bewoordingen gebruikte rector Tom Veldkamp niet richting de universiteitsraad. Het was eerder een zijdelingse opmerking in een ander dossier: het actieve studentenleven dat onder druk staat. Maar het beeld van lege(re) collegezalen past volgens de rector in ieder geval niet bij het Twents Onderwijsmodel.
'Als je alleen maar mijn colleges volgt om een 5,5 te kunnen halen, dan ben je bij mij aan het verkeerde adres' - Anne-Johan Annema
Volgens Annema is er wel degelijk sprake van een ‘duidelijke neerwaartse trend in aanwezigheid’. ‘Zeker sinds de coronacrisis’, observeert hij. ‘Ik merk ook dat het type vragen is veranderd; met enige regelmaat krijg ik de vraag wat straks in het tentamen terechtkomt. Als je alleen maar mijn colleges volgt om een 5,5 te kunnen halen, dan ben je bij mij aan het verkeerde adres. En je hebt er als student uiteindelijk alleen maar jezelf mee. Ik verwacht meer van de studenten en ze mogen meer van mij verwachten.’
Schilder toont zich iets genuanceerder en wil niet direct van een trend spreken. ‘Het is ergens wel logisch. In de eerste week hadden we bij TIME, Twente's Introduction to Mechanical Engineering, vollere zalen dan de afgelopen jaren. In zo’n eerste week is alles nieuw, heeft iedereen er zin in en vinden veel studenten het belangrijk om aanwezig te zijn. Vaak zie je het daarna inzakken.’ Dat ziet Schilder met name bij de werkcolleges. ‘En ook dat begrijp ik. Je bent wat zelfstandiger aan het werk en kunt tussendoor vragen stellen. Maar als je de stof goed beheerst, dan kun je veel ook wel thuis doen.’


Links: Anne-Johan Annema, rechts: Jurnan Schilder.
‘Studenten zijn selectiever’
Een vergelijkbaar beeld overlegt universitair hoofddocent Pieter Roos (civiele techniek). ‘Ik ervaar geen terugloop in de opkomst voor mijn hoorcolleges, maar merk links en rechts dat studenten selectiever zijn geworden in het deelnemen aan onderwijsactiviteiten zoals werkcolleges.’ Evenals Annema ziet Roos een trend te zien sinds de coronacrisis. ‘Een periode die studenten natuurlijk dwong zelfstandiger en geïsoleerder te functioneren. Terwijl juist de interactie met docent en medestudenten tijdens die werkcolleges een bewezen meerwaarde heeft, zowel inhoudelijk als sociaal.’
'Er is meer sociale cohesie en interactie onder eerstejaars dan de afgelopen jaren' - Anne Leferink
Roos’ collega Bas Borsje, regerend docent van het jaar, ziet geen legere collegezalen. ‘Maar dat heeft er misschien ook mee te maken dat de studenten, die het vak Fluid Mechanics 2 volgen, weten dat bijwonen van de colleges het veel eenvoudiger maakt om de stof te begrijpen dan via zelfstudie.’
Sociale druk en verwachtingsmanagement
Ook docent Anne Leferink heeft in haar colleges bij de opleiding technische geneeskunde naar eigen zeggen niks te klagen over lege stoeltjes. ‘Ik zie een zeer goede opkomst onder de eerstejaars, ben enorm positief over dit cohort. Er is meer sociale cohesie en interactie dan de afgelopen jaren.’ Volgens Leferink speelt het groepseffect een rol. ‘Als je ziet dat je medestudenten niet naar college komen, dan is er natuurlijk minder sociale druk om wél aanwezig te zijn.’
Daarnaast wijst Leferink op verwachtingsmanagement. ‘Geen van mijn colleges zijn verplicht, studenten willen er gewoon bij zijn. Als de colleges leuk, interessant, leerzaam en interactief zijn dan kunnen de studenten er ook iets halen. Soms slaan ze vakken over, omdat ze die saai en niet nuttig vinden. Deze week hoorde ik nog een student klagen over een college dat twee uur ging over zorgverzekeringen en welke te kiezen als student. Twee van zulke colleges en studenten blijven thuis.’



Pieter Roos, Anne Leferink en Bas Borsje.
Concurrentie
En toch, hoe goed en boeiend je colleges ook in elkaar steken, er zijn meerdere factoren die een rol spelen. Schilder geeft ook les in Amsterdam, aan studenten die de gezamenlijke VU-UT-opleiding Mechanical Engineering volgen. ‘Ik zie dus ook de situatie op de Vrije Universiteit. Nog meer dan hier speelt dat de universiteit te maken heeft met meer thuiswonende studenten. Fysiek verder weg zijn van de campus werpt een extra drempel op. Dan gaan studenten nog selectiever kijken of ze wel voor dat ene college die dag een uur gaan reizen, in plaats van vijftien minuten te fietsen.’
Los van afstand is tijd ook zo’n factor, weten de docenten. ‘Ze moeten naar mijn indruk vaker werken om studie en levensonderhoud te kunnen bekostigen’, zegt Leferink. ‘De arbeidsparticipatie onder jongeren is hoog. Ik krijg soms vragen van studenten of ze van groep mogen ruilen omdat ze moeten werken, maar ze lossen het vaak zelf op.’
'Een aanwezigheidsplicht is geen leerdoel' - Jurnan Schilder
De crux, volgens Schilder: concurrentie. ‘Ons onderwijs moet concurreren met bijbanen, die Netflix-serie en andere activiteiten. Dat zet direct ook vraagtekens bij de rol van onszelf als docenten en bij de rol van de campus. Wil je daar namelijk iets zinnigs over zeggen, dan moet je begrijpen wat je concurrenten zijn. Het is wat de oud-directeur van de Efteling me eens zei: de Efteling concurreert niet zozeer met andere pretparken, eerder met een ochtend uitslapen of een reparatie thuis.’
‘Leren moet een avontuur zijn’
Een oplossing, die ligt niet zomaar voorhanden. ‘Een aanwezigheidsplicht, dat is geen leerdoel’, zegt Schilder droogjes. En zoals Borsje en Leferink bepleiten: als een college boeiend en leerzaam is – de ‘moeite waard’, dat is al de helft van de strijd. Annema sluit zich daarbij aan. ‘Leren moet een avontuur zijn. Dat is geen kwestie van dingen onthouden of afvinken. Je bent er als student niet om na te apen of te papegaaien. Je staat er als docent net zomin als geheugentrainer. Het draait uiteindelijk om het willen begrijpen, het willen leren.’
Annema gooit zich in allerlei bochten om zijn onderwijs zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Met een ‘1 tegen 100’-quiz tijdens de colleges bijvoorbeeld, of met webapps die spelelementen bevatten. ‘Het draait in mijn onderwijs om serious fun. Ik probeer studenten altijd te inspireren, te motiveren, uit te dagen, soms een beetje irriteren hoort daarbij. Serious en fun dus, met een doel. Ik word blij als dat lukt. En mijn colleges hebben in principe nul slides, dus ik heb ook niks om achteraf op te sturen. Ik wil dat studenten zelf dat lerende vermogen ontwikkelen, dat ze ontdekken en de puzzelstukjes in elkaar laten vallen. Ze zitten er uiteindelijk niet voor mij, maar voor zichzelf.’
En een college alsmaar ‘leuker’ maken, op een gegeven moment is de rek daar wel uit, zegt Schilder. ‘We moeten ons verhouden tot de vraag: hoeveel tijd wil een student aan zijn colleges besteden? We rekenen 42 uur per week voor een voltijdsopleiding, maar de grootste groep binnen onze technische opleidingen studeert niet nominaal. Ik krijg er de handen nog niet voor op elkaar, maar waarom zouden we niet ook een realistische optie aanbieden voor een vierjarige bachelor, als een student dat wil? Misschien moeten we beter kijken waar de behoefte precies ligt.’