UT’ers nemen eigen vlieggedrag kritisch onder de loep

| Rense Kuipers

Hoe zorgen we ervoor dat we minder gaan vliegen? En hoe willen we de uitstoot van vliegreizen die UT’ers maken compenseren? Het Sustainability, Energy & Environment-programma wilde de mening van UT’ers weten. Een vijftigtal studenten en medewerkers kwam woensdagmiddag naar Waaier 2. ‘Als de hele wereldbevolking zoveel zou vliegen als wij, zou de wereld er nog slechter aan toe zijn.’

Frieder Mugele, hoogleraar Physics of Complex Fluids, licht de plannen toe.

CvB-vicevoorzitter Machteld Roos trapte de bijeenkomst af. Niet vanuit de Waaier, maar vanuit het Zwitserse Lausanne. ‘Ja, met de trein’, zegt ze. ‘En ik reis ook terug met de trein.’ Aan de hand van de recent gepresenteerde ‘train zone map’ en het benoemen van het belang van duurzaamheid voor de UT (‘we doen al veel, maar kunnen nog meer doen’) leidde ze het onderwerp van CO2-compensatie van vliegreizen in. Haar overpeinzingen: ‘Wie beslist wie wanneer vliegt? En moeten we vooral nudgen, bestraffen, belonen of promoten? En wat te denken van ongewenste neveneffecten als we een compensatiesysteem invoeren?’

Vervolgens was het woord aan ITC-hoogleraar Maarten van Aalst, die betrokken was bij de totstandkoming van de recente IPCC-klimaatrapporten. Nuchter en in sneltreinvaart nam hij de alarmerende gevolgen van klimaatverandering door: hittegolven, overstromingen en watertekorten, de aftakeling van koraalriffen en biodiversiteit, voedselzekerheid en menselijk welzijn. ‘Al dit soort zaken worden in toenemende mate onbeheersbaar. We hebben geen tijd te verliezen.’ ‘Maar’, wees hij op het aanwezige publiek, ‘ik weet ook: I’m preaching to the converted’.

Slechte gewoonte

Een van die converted was de volgende spreker, Jurriaan Schmitz, hoogleraar Semiconductor Components bij de faculteit EEMCS. Hij liet een foto zien uit 2015, hoe het toenmalige college van bestuur van de UT met een zware delegatie afvloog naar Zuid-Afrika, om een samenwerkingsovereenkomst te tekenen met het Duitse Fraunhofer. Maar hij wees ook op zijn eigen vlieggedrag een jaar later. Zo bezocht hij in 2016 conferenties in Japan, Zuid-Korea en Zuid-Afrika. Zijn wrange conclusie over het vlieggedrag van UT’ers: ‘Als de hele wereldbevolking zoveel zou vliegen als wij, zou de wereld er nog slechter aan toe zijn.’

Bovenal betwijfelde Schmitz de netto-opbrengst van het bezoeken van internationale conferenties. Volgens hem wegen de voordelen (mooie plekken bezoeken, interessante mensen spreken en de baas/belastingbetaler betaalt) niet op tegen de nadelen (het milieu, de kosten voor de belastingbetaler, druk op het sociale leven). Hij is vliegen gaan zien als een slechte gewoonte. Sinds 2016 vliegt Schmitz niet meer intercontinentaal, sinds 2019 vliegt hij helemaal niet meer. Hij bezoekt minder conferenties en áls hij ze bezoekt, zoekt hij het dichterbij of neemt hij online deel. Met de belangrijke kanttekening dat er in zijn vakgebied zo ontzettend veel conferenties georganiseerd worden, dat hij in een luxepositie verkeert.

Niet ver genoeg

Vervolgens was het aan hoogleraar Frieder Mugele om de drie uitgewerkte scenario’s voor de compensatie van vliegreizen verder toe te lichten: een ‘flat rate’ per gemaakte vlucht, een progressief model waarbij frequent flyers relatief meer betalen en het berekenen (en betalen) van de daadwerkelijke uitstoot per vlucht. Ook lichtte Mugele de mogelijkheden voor een duurzaamheidsfonds toe.

Na Mugele was het aan het aanwezige publiek om hun mening te geven. Al snel schoten meerdere vingers de lucht in. Lettende op de reacties vanuit de zaal, was een opvallende gelijkenis dat de voorgestelde scenario’s nog niet ver genoeg gaan. ‘Als universiteit moeten we leaden by example, niet laggen by example’, zei universitair docent Guus Dix. Een aanwezige student vroeg waarom er niet voor 2030 al scherpere doelen gesteld konden worden. Een ander wilde graag ook ambitieuzere doelen voor woon-werkverkeer.

Die opvattingen waren ook terug te zien in het stemgedrag; het publiek kon namelijk hun mening geven over de compensatiescenario’s, waar een duurzaamheidsfonds voor gebruikt kon worden en of er sprake moest zijn van CO2-budgetten. Twee derde van de aanwezigen bleek voorstander van een strikt budget voor zakelijke vluchten. Zo’n 65 procent heeft een duidelijke voorkeur voor scenario 3 – het daadwerkelijk berekenen van de CO2-uitstoot per vlucht en dat te compenseren. Over hoe het geld vervolgens besteed moet worden was meer verdeeldheid: de kosten van extra treinreizen compenseren, de UT-organisatie duurzamer maken of het geld steken in externe duurzaamheidsprojecten konden allemaal op steun rekenen. Ook optie 4, ‘een combinatie van alle bovenstaande’, genoot daarom volop steun.

Weerbarstige realiteit

Het mag dan ook geen verrassing heten dat de publieke discussie tijdens het stemmen doordenderde en de bijeenkomst fors uitliep. Hoeveel haken en ogen er zijn – ook over de eerlijkheid van CO2-compensatie, werd dan ook steeds duidelijker. Een aanwezige postdoc uitte haar zorgen over de carrièrepaden van jonge academici, als de UT het afreizen naar conferenties zou ontmoedigen. En iemand van de UT Travel Unit wees op de weerbarstige praktijk. ‘Twee jaar lang lag ons werk zo goed als stil. Maar we zien nu een explosie in het aantal vliegreizen. Mensen vinden treinreizen te duur, of het boeken is te onhandig via slechte websites. Sterker nog, we weten uit ervaring dat er mensen zijn die graag frequent flyer-punten sparen met zakenreizen, om vervolgens goedkoop privé te kunnen vliegen.’

Genoeg stof om na te denken dus voor de initiatiefnemers van het SEE-programma, die vooral op zoek waren naar draagvlak met deze bijeenkomst – en een zaal met daarin vooral medestanders en klimaatadepten aantroffen. Ze nemen de resultaten mee in een plan, waar vervolgens het college van bestuur een knoop over moet doorhakken. Wellicht de meest veelzeggende conclusie vanuit de zaal: ‘We moeten veel en veel meer doen, maar dit is in ieder geval een begin.’