‘Als we meedoen, zitten we vaak bij de winnaars’

| Jelle Posthuma

Voor het tweede jaar op rij grijpt de UT naast de grootste persoonsgebonden beurzen: de ERC Advanced Grant en de Vici-beurs. Volgens de faculteiten en het Grants Office is er geen reden voor paniek. ‘Het is de wet van de kleine getallen.’

Photo by: Fokke Eenhoorn

In 2021 ontvingen 33 onderzoekers een NWO-Vici van 1,5 miljoen euro. Nog eens 17 Nederlandse wetenschappers kregen een ERC Advanced Grant die kan oplopen tot 2,5 miljoen euro. In het rijtje van winnaars staan – voor het tweede jaar op rij – geen UT-onderzoekers.

Jan Eijkel, portefeuillehouder onderzoek bij de faculteit EEMCS, plaatst direct een kanttekening bij de cijfers. ‘Je moet in dit geval rekening houden met de wet van de kleine getallen. Géén beurs is maar een klein verschil met één beurs. Toch zijn de effecten van het kleine verschil groot. Voordat je zenuwachtig wordt, moet je eerst naar de lange termijn kijken. Is daar een trend zichtbaar? Volgens mij is dat nu nog niet het geval. De kans is groot dat het om kleine fluctuaties gaat.’

Ook Telma Esteves, Team Lead bij de Grants Office van Strategic Business Development (SBD), de dienst die onderzoekers ondersteunt bij het verkrijgen van subsidies, onderstreept het belang van de lange termijn. ‘We moeten niet al te veel conclusies trekken uit een ‘slecht jaar’. Als kleine universiteit hebben we een relatief kleine groep onderzoekers die in aanmerking komt voor dergelijke beurzen. De UT is bovendien een technische universiteit. Persoonsgebonden beurzen belonen meestal hoofdonderzoekers die zich richten op fundamenteel onderzoek. Op de UT ligt de focus vanwege de technische achtergrond vaker op toegepast onderzoek.’

Meedoen voor een Advanced Grant of Vici-beurs vergt een lange voorbereidingstijd, weet Esteves. Ook moeten onderzoekers het juiste moment ‘kiezen’ om een aanvraag in te dienen. Kortom: het aantal aanvragen vanuit de UT per jaar is laag. Tel daarbij op een lage gemiddelde slagingskans en de pieken en dalen zijn volgens Esteves goed te verklaren. Soms krijgt de UT niets, het jaar daarop is het weer raak.

Esteves wijst op het jaar 2019 waarin de UT drie ERC Advanced Grant ontving. ‘Als we meedoen, dan zitten we vaak bij de winnaars. Uit de cijfers blijkt dat het slagingspercentage van de UT ver boven het Europees gemiddelde ligt. Voor de Advanced Grant in 2019 deden in totaal zes UT-onderzoekers mee, waarvan er drie een Grant ontvingen. Dat is een bovengemiddeld slagingspercentage.’ Volgens Esteves zou dat andere onderzoekers aan de UT moeten motiveren. ‘Want we zijn in staat om nog vaker mee te doen met de competitie voor persoonsgebonden beurzen.’

'Wie al veel heeft, zal nog meer krijgen'

Systeemkritiek

Ton van den Boogaard, portefeuillehouder onderzoek van de faculteit ET, benadrukt eveneens het belang van de lange termijn en de wet van de kleine getallen. Maar over het huidige systeem van persoonsgebonden beurzen wil hij ook iets kwijt. ‘Als je eenmaal een beurs hebt, is dat soms een argument voor de volgende. Ook hippe, aansprekende vakgebieden scoren beter. Beurzen zijn prestigieus en worden hoog ingeschaald, wat ook terecht is. Maar als iemand géén beurs krijgt, betekent dat niet dat het onderzoek slecht is.’

Daar is Wiendelt Steenbergen, portefeuillehouder onderzoek van de faculteit TNW, het mee eens. Gevestigde wetenschappers genieten volgens hem een zeker voordeel. ‘Prestaties in het verleden spelen een rol bij de beoordeling van projectvoorstellen. Wie al veel heeft, zal nog meer krijgen. Dit staat bekend als het mattheuseffect. Wetenschappers die eerder een beurs binnenhaalden maken meer kans bij een volgende beoordeling.’

‘Wetenschapsfinanciers moeten ervoor zorgen dat dit effect niet de spuigaten uitloopt, want het komt de creativiteit, en dus de wetenschap, niet altijd ten goede. Misschien is een onderzoeker de afgelopen vijf jaar druk geweest met onderwijs, of was er sprake van een tijdelijke dip. Zoiets moet in de beoordeling van een projectvoorstel niet worden afgestraft.’

'In 2020 kregen we tien Vidi-beurzen. Dit is de generatie die straks Vici en Advanced Grants gaat winnen'

Competitie

Er mag bovendien minder geld via competitie worden vergeven, stelt Steenbergen. ‘Tuurlijk, competitie maakt scherp, maar in sommige gevallen is het beter om het geld direct aan de onderzoekers te geven. Ik verbaas me soms over de kleine brokjes die via heftige competitie worden vergeven. Neem de NWO Take-off Grant. Het gaat om slechts 40.000 euro, maar ook hier wordt een complete competitie voor ingericht, inclusief een pitch voor de NWO-commissie. Dan denk ik: waar zijn we mee bezig.’

De tijd van wetenschappers is namelijk schaars. ‘En enorm verbrokkeld. We moeten continu keuzes maken. Ga je bijvoorbeeld voor de persoonsgebonden beurzen, of kies je voor consortiums? Ook het onderwijs vraag veel van onze onderzoekers. Vergeet niet: de UT heeft met TOM een extra intensieve vorm van onderwijs.’

Deze verbrokkeling van tijd zorgt ervoor dat wetenschappers weinig tijd overhouden voor het schrijven van onderzoeksvoorstellen, stelt Steenbergen. Al is er volgens hem wel een mogelijke oplossing. ‘Denk aan het verlengen van de onderwijsvrije periode in de zomer. In België en Duitsland begint het collegejaar zo’n drie tot vier weken later. Voor wetenschappers is dit de uitgelezen periode om een onderzoeksvoorstel te schrijven.’

Toekomst

Zowel Steenbergen als Van den Boogaard benadrukken dat de begeleiding vanuit de faculteiten en de UT voor persoonsgebonden beurzen op orde is. ‘Die begeleiding is de laatste jaren gigantisch verbeterd’, stelt Van den Boogaard. ‘Het Grants Office van SBD is daar een goed voorbeeld van. Ik verwacht de komende jaren echt mooie resultaten op dit gebied. Dit zag je ook bij andere universiteit die met een soortgelijke ondersteunende dienst begonnen.’

Esteves wijst op het recente Veni-succes in 2020. In dat jaar wonnen tien jonge UT-onderzoekers een beurs van maximaal 250 duizend euro. ‘Dit is de generatie die straks Vici en Advanced Grants gaat winnen. Ook kan de UT andere successen, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs of bij samenwerkingen met het bedrijfsleven, meer gaan vieren. Daar moeten we een podium voor bieden.’

Daar is Van den Boogaard het mee eens. ‘We kijken al steeds meer naar de impact van onderzoek. Wat heeft de maatschappij eraan? Dat zouden we nog meer moeten doen. Al blijft het lastig om daar objectieve indicatoren voor op te stellen. Voorlopig wordt er nu eenmaal nog veel waarde gehecht aan persoonsgebonden beurzen.’