Hoe onderfinanciering studenten, docenten en wetenschappers raakt

| Michaela Nesvarova , Stan Waning

Op welke manier raakt de onderfinanciering van het onderwijs studenten, docenten en wetenschappers? Drie UT’ers, masterstudent Olga Nielsen, onderwijsmanager Emile Dopheide en onderzoeker Birna van Reimsdijk delen hun persoonlijke ervaringen.

‘Het stoorde me dat docenten geen aandacht voor me hadden’

Olga Nielsen, voormalig ATLAS-student, nu bezig met een master Mechanical Engineering

Voor Olga Nielsen leidde de structurele onderfinanciering er indirect toe dat ze enkele jaren terug koos voor de opleiding ATLAS. ‘Het collegegeld is er wel veel hoger dan voor een reguliere bacheloropleiding, maar het stoorde me dat docenten eigenlijk geen aandacht voor me hadden en dat ik een soort nummer was ergens tussen 1 en 150, in plaats van ‘Olga’. Dat is bij ATLAS beter voor elkaar, omdat het kleinschaliger georganiseerd is.’

Nielsen ging jaren geleden naar een kleine hogeschool, waar veel aandacht was voor de leerlingen. Ze hoopte op de universiteit in een vergelijkbaar bad terecht te komen ‘Maar ik miste al snel het persoonlijke contact en het is bij grote vakken bijna niet mogelijk om een docent een vraag te stellen. Dat kan via e-mail, maar een reactie laat vaak lang op zich wachten en ik vind het belangrijk om een docent in het echt te spreken.’

De studente benadrukt dat ze de docenten in dit verhaal niets verwijt. ‘Je ziet dat vooral bij grote vakken steeds meer studenten een college volgen. Dat leidt er toe dat sommige docenten niet eens meer toekomen aan het opzetten van een project, maar het door de drukte enkel bij een tentamen laten. Ook merk je dat onderzoekers zo druk zijn met het krijgen van een financiering, dat het onderzoek zelf niet genoeg aandacht krijgt.’

Om die redenen steunt Nielsen de Alarmdag van de universiteiten, om de situatie voor zowel studenten, docenten als onderzoekers te verbeteren. Volgens haar verergert de coronacrisis de al bestaande problemen. ‘Maar de problemen zijn niet ontstaan door corona. Ook voor de pandemie was er door de enorme toename van het aantal studenten al een tekort aan studieplekken. Het is niet zo dat het tekort aan financiële middelen mij als studenten ergens in remde, maar ik switchte destijds niet voor niets naar ATLAS.’

 

‘Vergelijk het met een trein die maar door blijft denderen’

Emile Dopheide, onderwijsmanager faculteit ITC en lid van de URaad namens Campus Coalitie

Dat de universiteiten gezamenlijk aan de bel trekken komt voor Dopheide niet uit de lucht vallen. Zeker, de coronacrisis zorgde voor nieuwe problemen, maar ook voor de pandemie zag Dopheide al steeds vaker docenten of ondersteunend personeel tegen een burn-out aanlopen. En dat valt volgens hem indirect te herleiden naar de onderfinanciering. ‘Je ziet steeds grotere aantallen studenten de campus betreden, maar het budget groeit niet mee. In die disbalans gaat er iets mis. Corona heeft die problemen alleen maar uitvergroot. Ik zie veel collega’s die echt aan de limiet zitten en dat komt niet alleen door corona.’

Met de faculteit ITC valt Dopheide enigszins binnen een ‘relatief luxe’ uitzonderingspositie -  vanwege specifieke financieringen - maar dat neemt niet weg dat hij de enorme werkdruk niet om zich heen ziet. ‘Vergelijk het met een trein die maar door blijft denderen. Alles zit zo dichtgetimmerd, dat er geen moment de tijd is om even uit te stappen en in alle rust na te denken. Vrijwel alle docenten hebben goede ideeën over onderwijs, maar krijgen geen ruimte om op die ideeën te komen. Nieuwe regels, internationalisering en veranderingen verhogen die druk alleen maar. Dat wordt nog wel eens onderschat.’

Dopheide vindt het dan ook een goed signaal dat er middels de Alarmdag aandacht gevraagd wordt voor de problematiek. ‘De focus ligt op die 1,1 miljard, maar het draait niet alleen maar om geld. Structureel extra geld kan alleen wel voor een effect zorgen, waardoor veel problemen worden weggenomen. Goed academisch onderwijs is voor mij de wetenschap als fundament en daarnaast aandacht voor de student. Als studenten gevraagd wordt naar kenmerken van een goede docent, komt aandacht altijd terug. Aandacht voor de docent en een goed wetenschappelijk fundament zou altijd leidend moeten zijn.’

 

‘Het kostte me veel persoonlijk leed’

Birna van Riemsdijk, universitair docent Intimate Computing in the Human-Media Interaction group (faculteit EEMCS)

Birna van Riemsdijk ondervond aan den lijve hoe structurele onderfinanciering 'een hypercompetitieve academische werkomgeving' creëert en leidt tot immense stress. 'Ik had het grote geluk dat ik in 2014 een Vidi-persoonlijke beurs kreeg. Het kostte me echter veel persoonlijk leed: binnen een jaar nadat ik de beurs kreeg zat ik thuis met een zware burn-out, waar ik twee jaar van moest herstellen. Ik was al erg moe van het vijf jaar lange proces om de beurs te krijgen nadat mijn Veni-aanvraag in 2009 werd afgewezen, wat mijn veerkracht verminderde. En dit alles terwijl ik een vast contract had. De stress waarmee vooral beginnende onderzoekers met een tijdelijk contract kampen, is echt extreem. Zij zijn afhankelijk van dergelijke financiering, wetende dat de acceptatiepercentages onevenredig laag zijn in vergelijking met de inspanning die nodig is om dergelijke financiering te verkrijgen.

De wetenschapper gelooft niet dat competitieve financiering in de eerste plaats slecht is, maar ze vindt wel dat er meer opties moeten zijn. ‘Ik vind het een goed idee om een basisfinanciering te hebben die altijd beschikbaar is, zodat je plannen voor de lange termijn kunt maken en niet bang hoeft te zijn dat je geld op is voordat je de volgende promovendus in dienst kunt nemen. Ik vond het zelfs leuk om het Vidi-voorstel te schrijven, het stimuleerde me, maar het evenwicht is volledig zoek in het huidige systeem. Het slagingspercentage is zo laag dat het bijna voelt alsof je aan het concurreren bent, maar je kunt niet echt winnen.’

Het onderwijs zou er ook bij gebaat zijn als het niet voortdurend voorstellen hoeft te schrijven en hoeft mee te dingen naar financiering, vervolgt Van Riemsdijk. 'Ons onderzoek en onderwijs zijn natuurlijk met elkaar verbonden. Ik heb voor dit jaar een planning gemaakt, inclusief een inschatting van het aantal uren dat ik verwacht nodig te hebben voor de verschillende taken. Kortom: de cijfers kloppen gewoon niet. Met een redelijke verdeling over onderwijs-, onderzoeks- en leiderschapstaken is het aantal studenten dat ik kan begeleiden voor bijvoorbeeld hun masterproject veel lager dan wat ik naar verwachting op me zal nemen. Individuele begeleiding is zeer tijdsintensief, maar ook ongelooflijk de moeite waard voor zowel docenten als studenten. Meer studenten aannemen zou betekenen dat ik ofwel meer dan mijn contracturen zou moeten werken, ofwel minder tijd aan andere taken zou moeten besteden - in de praktijk betekent dit meestal minder onderzoek - ofwel de begeleidingstijd zou moeten verminderen. Geen van beide is wenselijk voor een gezond academisch klimaat.’