Ingezonden: Al dat gekantel en gestuur

| Redactie

De kanteling, het uit de faculteiten lichten van het onderzoek, is acht jaar geleden geformaliseerd. In een aantal stappen is nu 60 procent van de rijksmiddelen onder de “sturing” van de Wetenschappelijk Directeuren gebracht. De matrixorganisatie bevalt de heren bestuurders blijkbaar goed, want inmiddels is een derde dimensie aan die matrix toegevoegd: de schools. Het zal wel enige jaren duren, maar deze pareltjes van bestuurlijke inventiviteit moeten natuurlijk wel middelen hebben om te kunnen sturen. Het college heeft opdracht gegeven om de kosten van het onderwijs in kaart te brengen. En dat terwijl het college een toezegging aan de UR van vijf jaar geleden, om facultaire onderwijsbegroting te laten opstellen, nooit is nagekomen. Blijkbaar wil men dat nu wel, om het onderwijs (inclusief budget) ook nog uit de faculteit te kantelen. Dan houdt de faculteit in het geheel geen eigen middelen meer over. Een faculteit wordt dan door meerdere onderzoekinstituten en schools aangestuurd. Moeten de faculteiten dan opgeheven worden zoals Van Vught wilde? Nee, gelukkig heeft het college toch nog wat voor de faculteiten bedacht: zij krijgen het dienstverleningsbudget zodat ze de servicecentra kunnen aansturen.

Het moet niet veel gekker worden, zult u zeggen. Maar helaas is deze haast hilarische situatie toch de bestuurlijke lijn waar we op zitten. Zo hebben we meer (be)stuurders aan de top van de UT dan dat het land ministers heeft. Het wordt tijd om ons af te vragen wat al dat gekantel en gestuur ons heeft gebracht en gaat brengen.

De resultaten van acht jaar kanteling zijn bijzonder matig: er zijn wel vele miljoenen uit de reserves aan het onderzoekbudget toe te voegen om de problemen rond de matching tijdelijk te lenigen, maar de WD-en hebben nooit het afgesproken volumebeleid geformuleerd. Na een paar jaar samenwerking en gezamenlijke verantwoordelijkheid van WD-en en decanen voor het primaire proces heb ik de hoop opgegeven dat zij tot evenwichtige en op elkaar afgestemde beleidsplannen kunnen komen. Men komt niet verder dan achterkamertjespolitiek, onthoudt de leerstoelen een duidelijk beeld van de wetenschapsontwikkeling en laat de medezeggenschap links liggen.
Wat vinden de betrokken er zelf van? De ene WD klaagt over het feit dat hij te weinig vrije beleidsruimte heeft en mijmert over een eigen school waarbinnen ook de promovendi kunnen worden opgeleid: die wil dus decaantje spelen. De andere decaan klaagt over de onmogelijkheid om in overleg met 3 WD-en tot een goed facultair beleid te komen. En het college dan? Dat komt niet verder dan de opmerking in het UR-overleg dat een WD (zonder medezeggenschap overigens) terecht een leerstoel onderzoeksbekostiging onthoudt, want “leerstoelen moeten toch ook voor hen vervelende besluiten van het NWO accepteren”. Alsof de onderzoeksbekostiging volledig buiten de campus is gekanteld.
Mijn conclusie is dat het zo niet langer kan en ook niets wordt met deze bestuursstructuur. Het wetenschappelijk bedrijf is maar heel beperkt “maakbaar” en “stuurbaar” van bovenaf: echte resultaten worden door medewerkers binnen leerstoelen geboekt. Mijn voorkeur is dat macht en middelen grotendeels terug moeten naar de faculteit, want binnen de faculteit moet de koppeling van onderwijs en onderzoek en een goed personeelsbeleid worden gewaarborgd. Ik ben niet tegen instituten of schools als uithangbord voor onze activiteiten, maar die organisaties moeten niet geïnstitutionaliseerd worden. Zo moet onderzoek juist licht en flexibel (en goedkoop) zijn, om snel op disciplinaire en multidisciplinaire ontwikkelingen te kunnen inspringen.

Dus eigenlijk Efficiënte Moderne Bedrijfsvoering toepassen op de bestuurlijke organisatie: minder bestuurders, maar wel meer faciliteren en meer personeelsbeleid.


Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.