'Geef studenten de kans om te falen'

| Stan Waning

Wat maakt een docent goed? Waar haalt iemand de passie vandaan de soms stoffige stof even boeiend als begrijpelijk te brengen? In de rubriek ‘Meet the teacher’ stellen we je voor aan de UT’ers met hart voor onderwijs. Deze aflevering: Raymond Loohuis.

Photo by: RIKKERT HARINK

Loohuis is hoofddocent en werkzaam bij de vakgroep Entrepreneurship & Technology Management binnen de faculteit BMS. Vraag hem naar wat hij onder goed onderwijs verstaat en er volgt een heldere visie. Loohuis ziet het als een drijfveer om de praktijk voldoende naar voren te laten komen en leeft op als hij merkt dat bedrijven of instellingen studenten tegen dagelijkse problemen laten aanlopen. Zodat studenten exploreren wat het probleem is. Zeker, ook Loohuis beoordeelt studenten met een 7,8, of 9, maar veel liever hoort hij wat diegene nou geleerd heeft. Hoe hij of zij complexe vraagstukken benaderde, tot oplossing kwam en kritiek oppakte.

Volgens Loohuis zit het verschil tussen wat een docent goed en uitmuntend maakt in een bijzondere paradox. De kracht van het loslaten. Geef een student de kans om te falen. Grijp niet altijd in, ook als je weet dat iemand niet de juiste richting inslaat. Een docent hoeft niet altijd instructief te zijn. Het loslaten van die neiging ziet hij als een uitdaging voor iedere docent. Het veranderen van je repertoire.

Loohuis kaart als docent graag aandachtspunten aan. Zo koestert hij de warme contacten die de universiteit onderhoudt met de regio, maar constateert hij gelijktijdig dat er nog veel meer winst uit die binding gehaald kan worden. Daarbij meent hij dat het onderwijs veel meer als motor kan fungeren in de regio, van waaruit nieuwe kansen gecreëerd kunnen worden voor onderzoek en samenwerking. Door zijn inzet op dat vlak is hij beloond met de BMS Faculty’s External Affairs Award, uitgereikt door Theo Toonen (Decaan BMS). Een beloning die hij omschrijft als eervol.

 

Theorie en praktijk zijn geen twee verschillende werelden. Nergens zie je dat zo goed terug als in het onderwijs.

Proposities

Hoewel Loohuis het apprecieert als docenten de praktijk zoveel mogelijk implementeren in het onderwijs, kan hij die praktijk niet los zien van een solide theoretisch fundament. Alle theorie is immers ook ooit praktijk geweest. Theorie en praktijk zijn volgens hem geen twee verschillende werelden. Nergens zie je dat zo goed terug als in het onderwijs. Want als we theorieloos door het leven gaan, dan moet je volgens Loohuis elke dag alles opnieuw uitvinden omdat we leven bij proposities. Hoe treed je iemand tegemoet zonder theorie? Vertrouwen, een theoretisch construct, speelt volgens hem een enorme rol.

De passie zit hem voor Loohuis in het feit dat studenten zichzelf gaan tegenkomen tijdens zo’n dynamisch leerproces. Het van elkaar leren en verantwoordelijkheid nemen voor proces en resultaat. Het is de vrijheid en zelfstandigheid die je een student gunt. Stel de studenten vragen in plaats van andersom. Laat de student op zoek gaan naar voorbeelden, om het probleem te doorgronden. En exact op dat moment geniet Loohuis het meest van zijn vak, omdat dan theorie en praktijk samenkomen. Precies dan heeft de student volgens hem een bril gekregen, waardoor hij of zij dingen kan bekijken en zaken in die context kan veranderen met de theorie.

Variatie

Dat de rol van de docent echter verandert staat volgens Loohuis vast. Al is veranderen volgens hem niet het goede woord. Liever spreekt hij van een variatie in rollen. Op het ene moment is de rol van de docent meer een partner. Op andere momenten meer een autoriteit. Die traditionelere rol dient ook niet platgeslagen te worden. Als die overtuiging – dat een docent in staat is om meerdere rollen aan te nemen -  in alle lagen van de universiteit naar voren komt, dan ligt er volgens Loohuis een mooie basis voor hoogstaand universitair onderwijs.

Veranderen is niet altijd goed, zeker niet als het te vaak gebeurt en al helemaal niet als het doel slechts veranderen is.

Het innoveren van onderwijs en de rol van de docent daarin is daarom een beweging die Loohuis met bovengemiddelde interesse volgt. Innoveren betekent volgens hem niet dat er iets niet goed gaat, maar draait veel meer om de vraag wat voor studenten je als universiteit wil afleveren. Die vraag dient volgens hem altijd gesteld te worden, voordat je gaat innoveren. Veranderen is namelijk niet altijd goed, weet hij, zeker niet als het te vaak gebeurt en al helemaal niet als het doel slechts veranderen is. Bij een overvloed van nieuwe terminologieën rondom innovaties is de kans ook groot dat docenten afhaken. Die boodschap wil hij veranderstrategen op de UT meegeven, zeker als het over een UT-brede ontwikkeling gaat zoals Shaping 2030, de visie en strategie van de UT.