Photo by: eric brinkhorst
Campus life

‘De campus is het nieuwe klooster’

| Michaela Nesvarova , Jelle Posthuma

Het lijkt tegenwoordig alsof elke universiteit en elk groot bedrijf een eigen campus heeft. Als de eerste campusuniversiteit van Nederland was de Universiteit Twente een voorloper. Wat heeft een ‘echte’ campus nodig? Waarom is het zo'n populair fenomeen geworden? ‘Het lijkt op een modern klooster, maar dan zonder de religie.’

Peter Timmerman, hoofd Studium Generale en een wandelende encyclopedie als het op de geschiedenis van de UT aankomt, heeft een duidelijke visie op wat een ‘echte’ campus is. ‘Kijk maar eens naar de kaart van het Amsterdam Science Park,’ vertelt Timmerman terwijl hij een afbeelding van de website van de Universiteit van Amsterdam laat zien. ‘Het laat een mooie groene kaart zien met een open, parkachtige omgeving. Maar...’ Hij haalt een nieuwe afbeelding tevoorschijn, dit keer van Google Maps. ‘In werkelijkheid ziet het er zo uit: een betonnen jungle. Het is een vorm van greenwashing, het is pure pr voor de universiteit. Tegenwoordig lijkt iedereen te beweren dat ze een campus hebben, maar de UT is de enige échte campus universiteit in Nederland.’

Toch lopen de meningen hierover uiteen. Volgens Alexandra den Heijer, hoogleraar Public Real Estate aan de TU Delft, gebruiken universiteiten tegenwoordig een veel bredere definitie van het woord ‘campus’. Als hoofdonderzoeker van het Campus Research Team karakteriseert zij een campus als alle gebouwen en grond met een aan de universiteit gerelateerde functie. ‘Dat kunnen collegezalen, kantoren en laboratoria zijn, maar ook woningen, cafés en ruimtes voor startups. Deze definitie gaat daarom niet alleen over de bezittingen van de universiteit, maar ook over het management en gebruik van benodigde faciliteiten die niet in handen zijn van de universiteit zelf maar wel door haar studenten worden gebruikt. Volgens deze definitie kan een campus ook verspreid zijn over een stad; het hoeft niet per se een gesloten geheel te zijn zoals in Twente.’

(Illustratie: campus van de Universiteit van Virginia)

Groen en geïsoleerd

‘Een campus in een stad is een contradictie,’ beweert Timmerman. ‘’Campus’ is het Latijnse woord voor 'veld’. Dat zal je niet vinden in het centrum van een stad.’ Volgens hem is de essentie van een campus dat het groen en geïsoleerd is. ‘Een van de allereerste campussen, die van de Universiteit van Virginia in de Verenigde Staten, is opgericht door Thomas Jefferson. Deze is buiten de stad gebouwd om de academische gemeenschap gescheiden te houden van invloeden vanuit de buitenwereld. Ik denk dat de term ‘campus’ daarom tegenwoordig zo populair is. Het wordt geassocieerd met het utopische en idealistische idee van de eerste campussen in de VS, die als doel hadden om de beste en slimste mensen van het land op te leiden en een gemeenschap van toekomstige leiders te vormen.’

‘Een campus in een stad is een contradictie’

De eerste universiteiten van de wereld bevonden zich in Europa en waren verbonden met de kerk. Hun oorsprong is te herleiden naar abdijen en kloosters - die ook afgezonderd waren van de rest van de wereld. Jefferson kopieerde dit model. Zijn model is vervolgens weer gebruikt voor de UT, zij het in een moderner jasje. ‘Het lijkt op een modern klooster, maar dan zonder de religie,’ zegt Timmerman. ‘Net als de campus van Jefferson bestaat die van de UT uit drie verschillende regio's: één voor onderwijs en onderzoek, één voor ontspanning en één voor huisvesting. Op een echte campus wonen studenten en medewerkers samen. De campus van Jefferson had tevens een grasveld voor festiviteiten; dat hebben wij hier ook. We hebben een aparte plek voor festivals, zoals de Kick-In of Green Vibrations.’

Architectuur op de UT-campus

De taak om de UT-campus te ontwerpen werd oorspronkelijk gegeven aan twee bekende architecten: Wim van Tijen en Samuel van Embden. De globale indeling van het gebied was gebaseerd op de campussen van Amerikaanse universiteiten en de principes van het ‘Functionalisme’. Van Tijen en Van Embden zijn verantwoordelijk voor de grote gebouwen, zoals Spiegel, Hogekamp en Langezijds.

Wellicht in een poging om de campus minder ‘monotoon’ te maken, besloten Van Tijen en Van Embden om een nieuwe generatie van architecten bij het project te betrekken: de ‘angry young men’. Terwijl de oude garde zich concentreerde op functionele, eenvoudige en efficiënte ontwerpen hanteerde de jonge generatie een geheel andere aanpak. Zij wilden gebouwen ontwerpen die sociale contacten faciliteerden en mensen bij elkaar zouden brengen. Daarom is de kans groot dat je tegenwoordig verdwaalt in gebouwen zoals Cubicus, Bastille of Vrijhof. De samenwerking tussen deze twee groepen architecten leidde tot een groot conflict tussen verschillende generaties en stijlen, maar ook tot de unieke UT-campus zoals we die vandaag de dag kennen.

Twee modellen

Den Heijer definieert dit type universiteit als een ‘campus als stad’. ‘In dit model is alles samengebracht op één locatie. Studenten en medewerkers hoeven de campus niet te verlaten. Het grote voordeel van een campus als stad is het gemeenschapsgevoel. Daarnaast kost het weinig tijd om je van gebouw naar gebouw te verplaatsen. Dit maakt multidisciplinair onderzoek ook eenvoudiger: het is duidelijker waar alles te vinden is. Tenslotte zal een buitenlandse student zich waarschijnlijk meer thuis voelen in dit campusmodel. De student wordt tijdelijk onderdeel van de gemeenschap en kan zichzelf onderdompelen in het familiegevoel dat op de campus heerst. Dit helpt tegen de eenzaamheid die altijd op de loer ligt in een grote stad. De campus als stad kan zichzelf daarom profileren als ‘tijdelijk thuis’ voor buitenlandse studenten. Dat is een groot voordeel voor Twente.’

‘Stilte is het nieuwe schaarse goed in onze maatschappij’

Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich het ‘stad als campus-model’, waarin wonen, studeren en ontspannen gescheiden zijn en verspreid over de stad plaatsvinden. Den Heijer benadrukt dat dit ook een echte campus genoemd wordt. De oudste universiteiten van Europa, zoals die in Bologna, Cambridge, Oxford en Uppsala, zijn hier duidelijke voorbeelden van. ‘Het voordeel van de stad als campus is dat de universiteit niet alle faciliteiten zelf hoeft te verzorgen. In plaats daarvan kun je gebruikmaken van de mogelijkheden van de stad, zoals de culturele faciliteiten, restaurants en bars. In een stad bevindt de universiteit zich niet zo zeer in een bubbel; het is veel minder een ivoren toren. En dat gebrek aan sociale betrokkenheid is precies waar universiteiten tegenwoordig vaak van beschuldigd worden. Een stad als campus is zichtbaarder voor de rest van de samenleving. Aan de andere kant breiden universiteiten zich voortdurend uit, wat voor druk op een stad zorgt. Als universiteiten te groot worden, kunnen ze als een soort parasieten de stad leegzuigen.’

Gemeenschapsgevoel

Timmerman onderkent dat beide modellen voor- en nadelen kennen, maar hij is ervan overtuigd dat het gemeenschapsgevoel een onmisbaar onderdeel van een echte campus is. En dit gevoel is volgens hem alleen te vinden is in het model van de campus als stad. ‘De isolatie van de campus is misschien elitair, maar het werkt wel. In dit model bevindt iedereen zich dicht bij elkaar. Je ontmoet zoveel mensen door simpelweg van de ene afspraak naar de andere te wandelen. Ik voel me vaak als een vlieg in een pot honing. Wanneer ik buiten loop, kom ik continu mensen tegen waar ik vervolgens een praatje mee maak. Dit geeft je een sterk gemeenschapsgevoel. Vroeger studeerde ik aan wat nu de Roeterseilandcampus van de UvA heet, maar ik voelde me daar altijd verloren. Op de UT-campus heb je een goed overzicht van de hele universiteit. Het zorgt voor verbondenheid met de mensen om je heen en het instituut zelf.’

Stilte, alstublieft!

Beide vormen van een campus hebben voor- en nadelen. Maar waarom hebben we eigenlijk nog een fysieke plek nodig in deze moderne tijd, waarin informatie ook digitaal gedeeld kan worden? Zouden we het niet prettiger vinden om vanuit ons bed te werken of te studeren? Blijkbaar niet, zegt Alexandra den Heijer. ‘Tijdens een recent onderzoek op veertien campussen in Nederland ontdekten we een opvallende trend. De vroegere hypothese was dat moderne technologie studenten in staat stelt om overal te werken en studeren, met verminderde activiteit in universiteitsgebouwen als gevolg. Deze hypothese blijkt nu onjuist te zijn. Studenten en werknemers komen tegenwoordig juist vaker naar de campus. Ze sluiten zichzelf op om zich volledig te kunnen concentreren op hun project. Er is minder afleiding op de campus.’

‘In een stad bevindt de universiteit zich niet zo zeer in een bubbel’

Elke toekomstbestendige campus zal daarom één essentiële eigenschap moeten hebben: stilte. ‘Stilte is het nieuwe schaarse goed in onze maatschappij,’ stelt Den Heijer. ‘Het is erg moeilijk om een plek te vinden waar je niet afgeleid wordt. Mensen moeten een plek zoeken waar ze alleen kunnen zijn en zich kunnen concentreren. Er is tegenwoordig een veel grotere vraag naar stille studieplekken op universiteiten. Aan de andere kant is de campus nog altijd een plek voor gemeenschap en samenzijn. We hebben daarom zogenaamde ‘bipolaire’ faciliteiten nodig: stille bibliotheek-achtige ruimtes waar buiten de deur genoeg te doen is.’

De groene campus in Twente is beslist uniek in dit opzicht, bevestigt Den Heijer. ‘Het is een plek met een enorme hoeveelheid ruimte. Dat moet de UT-gemeenschap koesteren. Misschien is de campus het klooster van nu. Mensen gaan naar de campus om zich terug te trekken. In dat opzicht ziet de toekomst er zeker goed uit voor Twente.’

Een korte geschiedenis van de UT

Op 25 januari 1961 biedt de gemeente Enschede het landgoed Drienerloo - dat meer dan 96 hectare grond omvat - aan de Nederlandse overheid aan. Met deze gift hoopt Twente de derde technische hogeschool van Nederland naar het oosten te halen. De geste is niet zonder succes: Enschede wint het van de drie andere kandidaten, Arnhem, Zwolle en Deventer. Het grote landgoed Drienerloo biedt meer dan genoeg ruimte voor een nieuw soort universiteit: het campus model waarin leven, studeren, werken en feesten samenkomen. Dit was destijds een uniek experiment in Nederland - en wellicht is het vandaag de dag nog steeds uniek. In 1964 opende Koningin Juliana de UT officieel, hoewel deze toen nog de naam THT droeg (pas in de zomer van 1986 kreeg de THT haar huidige naam: Universiteit Twente). De eerste lichting bestond uit tweehonderd studenten, waaronder vier vrouwen. Sindsdien heeft de campus een enorme groei doorgemaakt. Tegenwoordig studeren er meer dan 11.000 studenten aan de UT en werken er meer dan 3.100 werknemers uit meer dan tachtig landen. Eén ding is echter nooit veranderd: zelfs na bijna zestig jaar vormt de campus op het landgoed Drienerloo nog altijd het verbindende hart van de UT.