‘Papa kijkt hoe groen het gras is’

| Enith Vlooswijk

‘Aan de borreltafel’ is een rubriek over wetenschap. Wetenschapsjournalist Enith Vlooswijk praat met én tekent over UT-onderzoekers, die vertellen over hun vakgebied en de misvattingen die hierover bestaan. In deze zeventiende aflevering: Thomas Groen, universitair hoofddocent Natural Resources.

Toen hij in de jaren negentig koos voor de Wageningse studie Tropisch Landgebruik, deed Thomas Groen dat vooral omdat hij veel van de wereld wilde zien. ‘Ik was ook heel idealistisch. Het ging over hoe we het landgebruik kunnen verbeteren in de wereld, over duurzame keuzes maken. Ik had nooit het vooropgezette plan om de wetenschap in te gaan. Maar ja, je komt in een soort fuik terecht van dingen die je leuk vindt en dan blijkt dat hier op uit te komen.’

‘Papa kijkt hoe groen het gras is’, zo leggen zijn kinderen uit wat hij doet. Zelf gebruikt de universitair hoofddocent Natural Resources aan de borreltafel meestal een ander voorbeeld. ‘Ik zeg vaak dat ik kijk naar ontbossing met behulp van satellieten. Dat is makkelijk uit te leggen en iedereen begrijpt het nut er ook wel van.’ Maar ja, het is ook een beetje een simplistische voorstelling van zaken, geeft Groen toe. ‘Een bos is een groen object op aarde met een bepaalde hoogte en structuur. Als dat gekapt wordt voor houtproductie of iets anders, gaat er een grote schok door het systeem. Dat is heel makkelijk waar te nemen, maar vaak gaat het uithollen van een systeem veel geleidelijker. Zo zijn er savannes waar begrazing plaatsvindt, daar is meer of minder gras. Het gras is soms echt groener aan de ene dan aan de andere kant en dat zegt iets over hoe een ecosysteem ervoor staat.’

Aan Groen en zijn collega’s de opgave om uit te vogelen wat de beelden precies vertellen. Daarvoor moeten ze statistische verbanden leggen tussen beeld, opnamemoment, grootte van de locatie, kennis over ecosystemen en allerlei andere data. Dat gebeurt niet in het veld, maar achter een computer. Het idee van veel leken dat wetenschappers zoals hij voortdurend met camera’s en vlindernetjes door de natuur banjeren, of zich in een witte stofjas in een laboratorium ophouden, is een misvatting. ‘Als universitair hoofddocent ben ik sowieso heel veel bezig met administratie, mails beantwoorden, studenten lesgeven, begeleiden. Het is grotendeels een kantoorbaan. Actief onderzoek is vooral iets voor afstudeerders en promovendi. Als ik soms eens een lab in ga om te werken met een spectrometer is dat voor mij echt een uitje.’

Zijn expertise is breed: Groen kan vertellen over rododendrons in het himalayagebied, wilde zwijnen in Overijssel en guerilla’s in Colombiaanse bossen, maar ook over verschillende meetinstrumenten en statistische methodes. Daardoor is hij moeilijk in een wetenschappelijk hokje te plaatsen, wat ook nadelen heeft. ‘In de wetenschap heeft iedereen het over interdisciplinariteit, maar weinig mensen doen het ook echt. Dat maakt het lastig vooruit te komen in je carrière, want mensen vragen: wat is jouw specialiteit? Bij mij werkte het goed uit, ik vind mijn baan hartstikke leuk, maar ik denk wel dat het makkelijker voor mezelf was geweest als ik meer gefocust had op één domein.’

Voorlopig wil hij vooral blijven doen wat hij nu al doet: zijn eigen steentje bijdragen aan de strijd tegen klimaatverandering en nieuwe ‘wereldverbeteraars’ afleveren. ‘Ik doe dit werk omdat ik denk dat het nuttig is en omdat ik het leuk vind. Als mijn studenten dat overnemen, verspreidt het zich als een olievlek - hoewel dat hier misschien slechte beeldspraak is!’