‘Als wiskundige leer je om geen gekwetste gevoelens te hebben’

| Enith Vlooswijk

‘Aan de borreltafel’ is een rubriek over wetenschap. Wetenschapsjournalist Enith Vlooswijk praat met én tekent over UT-onderzoekers, die vertellen over hun vakgebied en de misvattingen die hierover bestaan. In deze dertiende aflevering: wiskundehoogleraar Nelly Litvak.

Wanneer ze als kleuter in de bus zat, onderweg naar haar grootouders, verdreef Nelly Litvak haar tijd graag met hoofdrekenen. Geen wonder dat ze er op zeker moment goed in bleek te zijn, vertelt ze. ‘Als je iets leuk vindt, steek je er meer tijd in en word je er beter in. Iedereen kan wiskunde leren, maar je moet er wel de tijd voor nemen.’

Inmiddels houdt ze zich als hoogleraar bezig met het zoeken naar verbanden in grote hoeveelheden data. Zo leidt ze een project om regionale uitbraken van COVID-19 te voorspellen met wiskundige modellen – een ongelooflijk lastige, zo niet onmogelijke opgave. ‘Beleidsmakers willen weten wat het R-getal in hun gemeente is over twee weken. Er spelen alleen zoveel factoren mee, dat dat super lastig is te voorspellen. Momenteel hebben we voorspellingen voor een week. Daar zijn we erg blij mee, maar als er een nieuwe maatregel wordt geïntroduceerd, verandert het gedrag en wordt heel het plaatje anders.’

Een wiskundig model, altijd een vereenvoudiging van de werkelijkheid, vergt de kunst van het schiften: welke factoren neem je mee en welke maken het model te ingewikkeld? Dat kan soms lijken op nattevingerwerk, hoewel dat niet iets is waar Litvak zich graag aan bezondigt. Juist de hang naar precisie is volgens haar kenmerkend voor veel wiskundigen. Veelzeggend is een anekdote over haar echtgenoot, ook wiskundige, die op een dag beweerde dat de eieren op waren. Litvak, wetend dat dit niet klopte, vroeg hem de koelkast eens open te maken en te zeggen wat hij zag. Een eierdoos. Litvak: ‘Dus hij zegt, oké, en begint eieren te bakken. Ik zei: hoezo, oké? Ga je niet zeggen dat ik gelijk heb? Waarop hij antwoordde: nee, want je hebt geen stelling geponeerd, dus kun je ook geen gelijk hebben.’

Ze lacht bij de herinnering, want ze is de laatste om hierdoor geïrriteerd te raken. ‘Als ik iets zeg en de ander geeft een tegenvoorbeeld, of toont met argumenten aan dat ik fout zit, dan ben ik blij dat de fout is gevonden. Als wiskundige leer je om daar geen gekwetste gevoelens bij te hebben.’ Wat natuurlijk niet betekent dat ook wiskundigen grote ego’s kunnen hebben, geeft ze snel toe. ‘Maar als iets fout is in de wiskunde, is dat einde discussie, dan moet je toegeven. Wiskunde leert je een bepaalde discipline bij.’

Misvattingen over haar vakgebied zijn er genoeg. Dat wiskunde draait om het berekenen van antwoorden op sommetjes, bijvoorbeeld. ‘Het gaat juist om de logica, de redenering is belangrijker dan het antwoord. Wiskunde is eigenlijk heel talig, veel wiskundigen kunnen helemaal niet zo goed hoofdrekenen. Ze gebruiken lettertjes voor een getal en zo krijg je een formule, de afkorting van een zin. Zo heeft elk beroep zijn eigen terminologie.’

Helaas hebben zulke formules de neiging mensen te intimideren, weet ze. Wat weer leidt tot de misvatting dat wiskundigen veel slimmer zijn dan anderen. ‘Dat is zo’n onzin. Andere beroepen zijn niet makkelijker. Een neef van mijn collega heeft een boerderij in Brabant. Die collega zei: als ik zie hoeveel verstand hij moet hebben van dieren, van planten, van machines, van klimaat, van grond, van ondernemen. Dat is zo ingewikkeld! Ik ben blij dat ik wiskunde doe, lekker simpel!’