Photo by: RIKKERT HARINK
De Tussenstand

‘Een monotoon leven is niet gezond’

| Rik Visschedijk

Herbert Wormeester (54) is opleidingsdirecteur Advanced Technology en voorzitter van de universiteitsraad. De UT is een belangrijk deel van zijn leven, maar het vroege overlijden van zijn dochtertje leerde hem dat ontspanning naast het werk minstens zo belangrijk is.

1. Weet wat je ontspant

‘Definiëren waar je jezelf achter kunt laten en echt opgaat in het moment, dat is zó belangrijk. Voor mij zit dat in muziek maken. Acht jaar geleden pakte ik de dwarsfluit op en inmiddels speel ik in drie orkesten, twee kleine en een groot harmonieorkest. Mijn voorkeur gaat uit naar een iets grotere dwarsfluit, de alt, die heeft een fantastische klank. Als ik op donderdagavond repeteer, dan kom ik in een andere gemoedstoestand. Of dat nu bewust is of onbewust, maar gaandeweg de avond laat ik beslommeringen achter me en gaat het even alleen om de muziek en de muzikanten om me heen. Een ander vindt dat misschien in sport, maar mijn uitlaatklep zit in de noten.’

‘Als je in de wetenschap werkzaam bent, is ontspannen niet vanzelfsprekend. Zeker als je aan het begin van de academische loopbaan staat, lijkt het logisch om ’s ochtends te beginnen en ’s avonds laat te stoppen. Het is een keurslijf waar je al snel in zit. Maar een monotoon leven is voor bijna niemand gezond.’

2. Ieder verdriet is uniek

‘In 2011 overleed Julia, mijn dochter van 18 weken oud. Het was een moeilijke tijd, ze werd geboren en het was direct duidelijk dat er iets niet goed was. Vocht in de longen, dachten de artsen. Daarna veranderde de diagnose: in de zwangerschap had ze een hersenbeschadiging opgelopen door zuurstofgebrek. Die periode was een achtbaan. Eerst kreeg Julia een levensverwachting van drie weken, maar ze bleek sterk. Ineens leek het dat ze tachtig kon worden, zij het zwaar gehandicapt. Ze kon met ons mee naar huis. Die tijd koester ik, we konden zelf voor haar zorgen. Ik vind het nog steeds fijn dat ze langer dan drie maanden leefde, want dan gaat het overlijden niet de boeken in als overleden bij geboorte.’

‘De geboorte en overlijden van Julia had natuurlijk enorme impact op ons gezin. Maar we wisten ook dat we door moesten. Was het niet voor onszelf, dan zeker voor onze zesjarige dochter Fiona. Een maand na het overlijden gingen we op vakantie en waren er alleen voor elkaar. De UT bleek een perfecte werkgever, we kregen de ruimte om ons verdriet op onze eigen manier een plek te geven. Cora, mijn vrouw, werkt ook op de UT en zelfs in hetzelfde gebouw. We kregen steun van collega’s en dat hielp ons in die eerste tijd. Het hielp dat we weer naar het werk gingen.’

‘Het moeilijkste, maar ook het bijzondere, aan zo’n periode: je verdriet is uniek. Natuurlijk, er zijn lotgenoten. Maar hoe je ermee omgaat en wat je verder helpt, daar is geen handboek voor. In het ziekenhuis MST organiseerden ze aan het eind van het jaar een bijeenkomst voor ouders van vroeg overleden kinderen. Ik hield daar een praatje, omdat ik het kon en wilde. Een ander sluit zich misschien een tijdje van de wereld af, of heeft juist hulp nodig.’

3. Vind je pad

‘Het verwerken van het verlies lukte omdat ik me op Fiona concentreerde. Ze was zes jaar oud. Een bijzondere leeftijd, omdat het kind dan alles meemaakt, maar tegelijk in een magische wereld leeft. Samen pakten we de dwarsfluit op. Bij haar zwemles besloot ik me ook in te zetten en werd zwemofficial. Daarnaast fiets ik veel. Het liefst in de bergen.’

‘Als opleidingsdirecteur vind ik het belangrijk om onze studenten ruimte te geven om hun pad te vinden. Natuurlijk, het is nu een heel andere tijd vergeleken met de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen ik technische natuurkunde studeerde op de UT. Social media, het leenstelsel, ze leveren druk op. Tegelijk moet je dat ook niet overdrijven. Iedere tijd heeft z’n eigen uitdagingen. Het gaat erom dat je het pad bewandelt dat bij je past. Sta af en toe even stil, weet waar je bent en ga een stukje terug als dat nodig is. Als fietser weet ik hoe belangrijk dat is. Blijf je op het verkeerde pad, dan ben je veel meer energie kwijt.’

4. Regels zijn makkelijk, het gaat om het model

‘Regels en voorschriften kunnen het leven makkelijk maken. Bijvoorbeeld bij een opleiding, je weet door welke hoepel je moet. Maar als natuurkundige hou ik meer van het model en wat we ermee beogen. Regels zijn uiteindelijk niet meer dan instrumenten om een idee neer te leggen. Neem het bindend studieadvies. Die geeft aan wanneer je door kan met de studie, maar haal je de lat niet, dan kán je een negatief advies krijgen. Daar zit dus interpretatie in, het hoeft niet automatisch negatief te zijn. Tegelijk wil je geen willekeur, het liefst zie je zo weinig mogelijke 5,5-jes bij toetsen. Het aantal studenten dat net niet in de opleiding blijft, moet minimaal zijn.’

‘In de opleiding Advanced Technology gaat dat prima. De afgelopen zes jaar heb ik honderden studieadviezen uitgedeeld, en daarbij tekenden maar twee studenten bezwaar aan. Dan doe je als opleiding toch iets goed. Dat komt ook door de docenten die de opleiding verzorgen. Als je acht docenten met verschillende achtergronden bij elkaar zet, dan is het niet vanzelfsprekend dat er iets moois uit komt. Dat is met deze groep wel gelukt en daar ben ik best trots op. Maar liever dan één cijfer geven voor een vak, zou ik zien dat we twee cijfers geven: het cijfer dat we nu kennen en de foutmarge van dat cijfer. Daarmee zou je een groot deel van de interpretatie, die altijd aanwezig is bij toetsen, ondervangen.’

5. De wereld is zo groot als je hem maakt

‘Ik groeide op in Diepenheim, het kleine kunstenaarsstadje met een groot buitengebied. We waren een importgezin, mijn vaders familie kwam gedeeltelijk uit het naburige Borculo en klom in de gemeente op tot gemeentesecretaris. Zeker in mijn jeugd was er nog een groot onderscheid tussen de originele bevolking en de mensen van buiten. Maar wij laveerden daartussen. Mijn vader sprak dialect én Nederlands. Zo kon hij goed schakelen. Ik doe het niet vaak, maar spreek ook prima Twents. Soms is dat handig. Bijvoorbeeld toen ik ’s avonds een keer naar mijn werkkamer wilde en nog geen toegangskaart had. Het hielp dat ik de nachtportier in het plat aansprak.’

‘Met het gezin wonen we in Enschede, niet ver van de campus. Dat is ideaal, als ik een keer ’s avonds wil werken, dan stap ik op de fiets en ben ik zo in het gebouw. Zeker als promovendus was dat fijn, omdat ik continumetingen deed waarbij ik om de vijf uur in het laboratorium moest zijn. Ik vind het prettig om nauwelijks reistijd te hebben. Als kind fietste ik iedere dag veertig minuten heen en terug naar school. In de stad is dat anders, ik denk dat mijn dochter daar ook blij mee is.’

6. Wees geen pilaarheilige

‘Het is belangrijk om je pad te vinden, maar net zo belangrijk is om andere en nieuwe routes open te houden. Het was geen uitgestippeld pad om opleidingsdirecteur te worden of een vast gezicht in de medezeggenschap te zijn.’

‘In het tweede jaar van mijn studie zag ik in Arnhem het schilderij Simeon de Pilaarheilige van Carel Willink. Je ziet een man die hoog en berustend op een pilaar zit die hij zelf bouwde. Om hem heen verval en verwoesting. Je kunt het schilderij interpreteren als een aanklacht tegen mensen die zich uit de wereld terugtrekken en kiezen voor isolement. Dat is althans wat ik in het schilderij zie. Het is een waarschuwing: wees geen pilaarheilige. Het is belangrijk om je bewust te zijn waar je staat in het leven. Dat vraagt af en toe reflectie. Welke weg legde ik af, waar wil ik naartoe? En het vraagt een open blik. Om geen pilaarheilige te zijn, moet je weten dát je op een pilaar zit. Pas dan kun je er van af stappen en zijpaden nemen.’

7. Blijf actief

‘Julia zou nu acht jaar zijn. Als ik een meisje van die leeftijd zie, dan schuurt het af en toe even. Maar gelukkig gaat het verdriet naar de achtergrond. Ik denk niet dat ik overcompenseer, maar met Fiona, die vijftien is en op het vwo zit, onderneem ik veel. We zijn twee keer naar Londen geweest, waar we een paar Harry Potter-tochten deden en naar musicals gingen. We houden ook van actieve vakanties. We gaan fietsen, vorig jaar ben ik met haar in Noord-Duitsland en Denemarken geweest. Of naar Schiermonnikoog, met een klein tentje.’

‘We hadden onze stuntvlieger mee. Het echte doel was met de vlieger op een strandbuggy aan te drijven. Ook houden we van skiën met het gezin, maar mijn vrouw Cora gaat niet mee de piste op. In het Zwitserse Grindelwald kun je de tijd van een afdaling meten. Fiona ging honderd kilometer per uur. Dan denk je: dat is toch wel erg hard. Maar vooral vind ik het mooi om te zien hoe ze steeds zelfstandiger wordt, haar eigen keuzes maakt. Dat ik af en toe te horen krijg dat ik te nieuwsgierig ben, neem ik graag op de koop toe.’

‘Het geeft vertrouwen dat ik als persoon en wij als gezin zo goed met het grote verlies omgaan. Want uiteindelijk moet je verder en de echt scherpe randen gaan er van af. Dat is een cliché, maar het is wel waar. Voor mij is Julia een bevestiging dat een monotoon leven niet gezond is. En dat je soms iets moet forceren om door te kunnen. Voor mij is dat dwarsfluit spelen en me af en toe verliezen in de muziek.’