Photo by: Frans Nikkels
De Tussenstand

‘Het is belangrijk om je roeping te vinden’

| Rik Visschedijk

Pim Fij (57) is directeur Campus & Facility Management en werkt 32 jaar op de UT. Eén keer keek hij buiten de campus, maar dat was een vergissing. Hij heeft zijn vroeg overleden vader nooit gekend en hem niet gemist. Wel wil hij de best mogelijke vaderfiguur zijn, als manager, familieman en voor zijn volwassen kinderen.

1. Wie je ook tegenover je hebt, blijf jezelf

‘Thuis ben ik precies dezelfde als op het werk. Dat vind ik belangrijk. Ik begrijp best dat mensen soms theater spelen, want in bepaalde functies is dat vereist. Als je bestuurder bent, dan kan ik me voorstellen dat je in bepaalde situaties een rol speelt, bijvoorbeeld in overleg met de medezeggenschap of lokaal overleg. Dat moet ook, maar het is niets voor mij.’

‘Ik wil voor alles oprecht zijn en vertrouw er op dat dit voor anderen ook geldt. Ik begin vol vertrouwen aan een relatie, of dat nu privé of op het werk is. Dat is soms best extreem, want als directeur en leidinggevende ben ik soms kort door de bocht. Af en toe krijgt een collega een onvoldoende op het jaargesprek. Dat is het moment om een signaal af te geven. Maar daarna gaan we normaal met elkaar om. Ik vind het mooi als ik terugkrijg dat die persoon niets merkt van wrok. Ik ben op dat moment ontevreden over het functioneren van die collega, maar dat zegt niets over de persoon. Verbetert de collega z’n werkhouding, dan zet ik dat ook in het dossier. De rol van leidinggevende zijn, is niet heel anders dan die van een ouder. En dan kun je maar beter een goede vader voor de club zijn.’

2. Wees niet te ijdel

‘Na bijna twintig jaar UT, vond ik het in 2007 tijd om eens iets anders te doen. Ik werd gevraagd om directeur te worden bij de Stichting Leerplanontwikkeling, dat leermethodes ontwikkelt. Dat vond ik een grote eer, het streelde mijn ego om gevraagd te worden. Ik begon als titulair directeur en werd een jaar later gevraagd om statutair directeur te worden met bijpassend salaris, dat beduidend hoger was dan mijn toenmalige baan op de UT. Men was toen nog niet zo streng op de Balkenendenorm, moet je weten.’

‘Maar wat een vergissing maakte ik. Een bestuurlijke baan past totaal niet bij mij, ik ben geen visionair en geen man van vergezichten. Ik ben een manager. Geef mij een klus, een reorganisatie of een helder doel, en ik beweeg de organisatie daarnaartoe. Ik hield die baan zes jaar vol, maar was kapot. De functie kostte mij te veel negatieve energie. Toen ik terug kon naar de UT, in eerste instantie voor een interim klus, hapte ik meteen toe. Bij de eerste stap die ik zette op de campus wist ik: hier ben ik weer thuis.’

3. Bloed is dikker dan water

‘Mijn jeugd was lastig. Ik groeide op in een cafégezin, maar heb mijn vader nooit echt gekend. Hij overleed toen ik vijf jaar oud was. Uit verhalen begrijp ik dat mijn vader niet in het glas spuugde. Mijn moeder werd ziek toen ik twaalf jaar was, maar het ging al veel eerder slecht met haar. Ze had na het overlijden van mijn vader gewoon te hard gewerkt in het cafébedrijf. Ik ben mede-opgevoed door mijn zus, en daar ben ik haar eeuwig dankbaar voor. In coachingsgesprekken kwam natuurlijk naar voren dat ik een vaderfiguur heb gemist. Dat klopt ook. Als ik kijk naar mijn eigen rol als vader, dan overcompenseer ik: mijn kinderen, inmiddels ruim in de twintig, zijn alles voor me.’

‘Ik ben een echt familiemens. Mijn oudere zus is ernstig ziek, ze hoorde een paar jaar geleden dat ze nog maar kort te leven had. Omdat we in onze jeugd nooit echt samen op vakantie gingen, zijn we met onze partners op cruise gegaan naar Noorwegen. En een cruise, dat is voor een druk baasje als ik niet natuurlijk. Maar op die boot maakten we herinneringen voor de rest van het leven. Ik heb enorme bewondering voor mijn zus, ze is zó sterk. Inmiddels zit ze in haar derde extra jaar. Ze had een bucketlist opgesteld, toen ze hoorde dat ze terminaal ziek was. Die is inmiddels afgestreept. Maak een nieuwe, zei ik tegen haar. Ze sputterde tegen: ‘het geld is op’. Maar bij mij niet, zei ik. Ik wil dat je alles wat je wil uit het leven haalt.’

‘De familieband is de sterkste band die er is. Toch weet ik nauwelijks iets over mijn vader. Blijkbaar hoeft dat niet. Ik heb nooit de behoefte gehad om hem te reconstrueren en op een bepaald moment gaat dat voorbij, dan hoef je niet meer te weten wie die persoon was. Van één ding weet ik dat hij in mij doorleeft: de verslavingsgevoeligheid. Ik pas op met de drank, van maandag tot en met woensdag drink ik normaal gesproken geen druppel. Dat sprak ik met mezelf af. En ik was een verstokte roker, zware shag en Sumatra cum laude-sigaartjes. Daar ben ik al een hele tijd vanaf.’

4. Vind je eigen pad

‘Door die lastige jeugd, kwam er maar weinig van me terecht. Ik gleed bijna af naar het lbo, terwijl ik best een goed stel hersens heb. Maar ik trok mezelf terug in het gareel, slaagde na de mavo voor de havo en begon aan de sociale academie in Enschede. Daar heb ik 39 jaar geleden één goed ding aan overgehouden. Dat is mijn vrouw. Die studie rondde ik dus niet af en ik had wat baantjes. Mijn redding was dat ik in verplichte militaire dienst ging. Daar lag het schakelmoment, ging ik verder met mijn leven. Als jong ventje kreeg ik leiding over andere militairen bij de squadron administratie. Toen wist ik: ik wil een manager worden. Een baasje, om het zo te zeggen.’

‘Het is belangrijk om je roeping te vinden, om te doen waar je hart ligt. Het is totaal onbelangrijk of je bestuurder wil worden, hoogleraar, bakker of postbode. Iedereen is gelijk en verdient om gelijk behandeld te worden. Ik vind het belangrijk om daar dagelijks werk van te maken. De secretaresse verdient evenveel respect als de hoogleraar.’

5. Kies een team, niet een trainer

‘Ik ging naar de heao, was al 22, 23 jaar en kwam in de klas met 17-jarigen. Dat was wel even gek. Na een stage bij de gemeente Eibergen, belandde ik op de UT. Ik had na de stage de keuze, een baan bij het stafbureau of bij financiën. Ik koos voor financiën, hoewel die functie lager ingeschaald was. Ik kende het hoofd namelijk, dat was Harry Fekkers. Voor hem wilde ik werken. Het eerste wat hij zei, toen ik begon aan de baan: ‘Oh trouwens, ik ben over drie maanden weg’. Toen vloekte ik wel even. Dat was een harde leerschool.’

‘Als leidinggevende staat het team centraal. Campus & Facility Management is een ondersteunde dienst, dat moet in onze bloedvaten zitten. Op de UT gaat het om onderzoek en vooral onderwijs. Want, zonder studenten kunnen we de boel opdoeken. Wij zijn er om al die studenten, docenten en onderzoekers te faciliteren. Soms vergis ik me, dan neem ik iemand aan waarvan ik zeker dacht te weten: die snapt het. Als dat niet zo blijkt te zijn, dan nemen we afscheid van elkaar. Zonder wrok, zonder wrevel, maar ook zonder scrupules. De organisatie is groter dan het individu. Past dat niet, dan maakt de persoon plaats.’

6. Zie om naar de ander

‘Drie jaar geleden, toen mijn zus de diagnose kanker kreeg, heb ik alles op alles gezet om de start en finish van Ride for the Roses, het fietsevenement voor kankeronderzoek, naar de campus te krijgen. Dat lukte helaas niet, maar de route ging vanaf de Vliegbasis Twenthe wel over de UT. In mijn lullige roze shirt stond ik aan de start, de benen vol lood om de tocht voor mijn zus te fietsen. Ik ben een fervent fietser. Voor een ritje van honderd kilometer draai ik mijn hand niet om. Maar ik was nog nooit zó moe als na die rit.’

‘Ik heb gigantische bewondering voor mensen die tegenslag ervaren, maar daar positief mee omgaan. Dat klinkt misschien als een open deur, maar het raakt me echt. Of dat nu iemand is die een alcoholprobleem heeft, maar geen druppel meer drinkt. Of Mark Weirath, hoofd Culture & Events, die een klaplong had en op het randje balanceerde. Het is alleen zo jammer dat er vaak een naar voorval nodig is, voordat je waardeert wat je hebt. Dat laat het plotselinge overlijden van professor Arjen Hoekstra wel zien. Die les probeer ik te trekken. Als workaholic is dat moeilijk, maar ik wil echt in het moment leven met de lieve mensen om mij heen.’

‘Als je al zo lang rondloopt op de UT, dan vermengt het werk zich met het persoonlijke. Mijn dochter heeft sinds een jaar of drie een relatie met de zoon van universiteitshoogleraar Albert van den Berg. Dat levert situaties op, dat we professioneel een meningsverschil hebben, maar elkaar spreken met familie. Maar ik ben een echt mensen-mens. Werk wordt persoonlijk, en andersom.’

7. Combineer doorzettingsvermogen en passie

‘Misschien heb ik overgehouden aan mijn moeilijke jeugd, dat ik graag relaties aanga omdat ik bepaalde familiebanden vroeger miste. Voor mijn kinderen heb ik de beste vader willen zijn die in me zat. Mijn zoon, Renze, is professioneel voetballer, staat onder de lat bij het Noorse Sogndal. Hij begon bij Twente in de jeugd, daarna twee jaar onder contract bij FC Groningen en vervolgens zes jaar bij Heracles. Dat ging lang niet altijd goed, zeker tijdens een verhuurperiode naar FC Dordrecht in 2017. Toen zijn carrière in het slop zat, koos hij voor een buitenlands avontuur. Zijn vriendin bleef gewoon in Nederland en hij zat in zijn eentje in het hoge noorden.’

‘Daar heb ik veel respect voor, zo kordaat regie over je eigen leven nemen. Net als mijn dochter die voor haar bachelor een half jaar geld verdiende om daarna een half jaar vrijwilligerswerk in Ecuador te gaan doen. Ook voor haar master nam ze vrij van de studie en trok een half jaar in haar eentje door Zuid-Amerika. Als vader vond ik dat niet leuk, maar het is haar keus en haar manier. Mijn dochter is mijn oogappel. Ik ben zo trots op mijn kinderen, die ieder hun eigen pad bewandelen. Vol doorzettingsvermogen en passie.’