Werkdruk: een veelkoppig monster?

| Dick Meijer

Naar aanleiding van het medewerkersonderzoek praten we – college van bestuur en universiteitsraad – al meer dan anderhalf jaar over de wijze waarop dat probleem aangepakt moet worden. Het vaste wetenschappelijke personeel rapporteerde het vaakst (70 procent) hoge werkdruk te ervaren, maar ook andere specifieke groepen meldden problemen met werkstress en prestatiedruk: te denken valt aan onder meer tenure trackers, promovendi en bepaalde groepen dienstverleners.

Photo by: Arjan Reef

‘Het veelkoppige monster’ wordt door het college steeds van stal gehaald als we hierover spreken: er is volgens het college een veelheid van maatregelen nodig, op het gebied van administratieve vereisten, verbeteringen in de organisatie en training van medewerkers om tijd-extensiever te werken. Om die problemen te identificeren is volgens het college onderzoek (‘Kaizen!’) nodig, moet vooral decentraal onderzoek gedaan worden (pilot bij TNW) en zo nu en dan ‘thematisch’ worden aangepakt: in een jaar tijd hebben we één maandthema gehad – cijferregistratie – een jaarthema dus. Het ‘laaghangend fruit’ schijnt geplukt te zijn, maar ik merk er als docent geen barst van: ik moet nog altijd taken van het niveau administratief medewerker verrichten. De pilot bij TNW is uitgevoerd, maar heeft blijkbaar geen noemenswaardige resultaten opgeleverd. De FR, toch de partner in Arbo-zaken, is er niet bij betrokken.

Werkbelasting

Ik zal niet ontkennen dat organisatie en administratie de taak van de wetenschappelijke staf kan verzwaren of verlichten, maar voor mij (en veel UT-medewerkers) is het een abc’tje dat de (verreweg) grootste kop van het monster de werkbelasting is: we moeten al jaren meer doen met minder mensen. In een plan van aanpak moeten dus in ieder geval capaciteitsuitbreiding en verlaging van prestatienormen tot beleidsprioriteiten worden gekozen. Maar volgens het college is voor die conclusie meer onderzoek nodig: ‘Meer personeel is vaak geen oplossing’.

Overheidsbeleid: ‘minder geld voor meer onderwijs’

Daarom zet ik de kwalitatieve en kwantitatieve argumenten waarom de werkbelasting wél kernoorzaak nummer 1 is voor de ervaren werkdruk door WP nog maar eens op een rijtje.

Uiteraard is het overheidsbeleid van grote invloed op de werkdrukontwikkeling geweest: toen ik 30 jaar geleden de overstap van middelbare school (29 lesuren per week) naar de UT maakte, voelde de tijd, die je kreeg voor voorbereiding, individuele begeleiding, bijhouden van je vak en ontwikkelen van vakken en materiaal, weldadig aan.

Al die positieve aspecten zijn verminderd of afgeschaft, omdat de overheid wel ‘hoger onderwijs voor velen’ wilde, maar in de loop der jaren ook de bekostiging per student meer dan halveerde. De overdracht van de gebouwen aan de universiteit heeft ertoe geleid dat nog eens 10 procent van het budget aan huisvesting moest worden besteed. En in het onderzoek werd universitair budget in een paar grote stappen naar NWO en STW overgeheveld: dat geld kun je door goede projectaanvragen misschien terugverdienen…

UT-beleid: ‘reorganisaties en TOM-toetsgekte’

Maar daarnaast heeft het beleid van de UT ook onmiskenbaar tot taakverzwaring geleid: in de laatste grote reorganisatie RoUTe 14 werd bijvoorbeeld bewust een op de acht vaste WP-functies geschrapt en ondertussen meer personeel op tijdelijke en prestatiebasis aangesteld. De druk op onderzoekers om projecten te ‘scoren’ is onverminderd groot, maar de slaagkans van een aanvraag is in veel gevallen sterk gedaald. Toen prestatieafspraken met het ministerie gemaakt moesten worden, was het CvB er als de kippen bij om te beloven dat er meer onderwijscontacturen zullen worden geboden: wie zouden die moeten verzorgen?

En dan de onbezonnen invoering van het TOM-model: die heeft niet alleen eenmalig, maar ook aantoonbaar structureel geleid tot een hogere werkbelasting in het onderwijs, in plaats van de nagestreefde 10 procent vermindering. Ga maar na: het college gaf al na een jaar de doelstelling van 10 procent bezuiniging op onderwijs op. Maar: ‘je moet het TOM-model de tijd geven’ en ‘Als de docenten de didactiek uitvoeren, zoals bedoeld, krijgen ze het vanzelf minder druk’.

Maar de harde praktijk van vandaag de dag is anders: veel opleidingen kennen 6 procent van het modulebudget toe aan de modulecoördinatie. Een nieuwe taak, maar bepaald geen primaire onderwijstaak. Goede begeleiding van de vele projecten is in de regel arbeidsintensiever dan colleges verzorgen. En dan de nog steeds voortdurende toetsgekte: het uitgangspunt van 15 EC-alles-of-niets in 10 weken veroorzaakt vele toetsen en herkansingen binnen korte tijd met weinig nakijktijd en al helemaal geen ruimte voor academische bezinning op het vakgebied. Heel vaak moet nog een tweede herkansing worden geboden.

Samengevat: geen 10 procent minder werklast door TOM, maar een meer dan 10 procent hogere werklast.

De oplossing?

Het college dient de grootste kop van het monster af te hakken, dus andere prioriteiten stellen: minder geld naar zaken als internationalisering (kopen van studenten), valorisatie (IMC-debacle), directeuren en ambassadeurs en excellentietrajecten (UCT), en meer naar beleidsprioriteit nummer één, het menselijk kapitaal dat het UT-onderwijs en -onderzoek in den brede moet bemensen en ontwikkelen. De TOM-gedachte (samenhang in kwartielen) hoeft niet te worden afgeschaft, maar wel de centraal opgelegde slaagregels en didactiek. Een flexibeler onderwijsaanbod met focus op academische kennis, vaardigheden en vorming is voor de werkdruk en –stress van zowel student als docent beter.