Asterix en de Engels-oekaze

| Redactie

Het tweewekelijkse commentaar van U-Today. Het huidige taalbeleid, vrij vertaald naar: ‘Engels is de voertaal, en het Taal Coördinatie Punt zit in de Vrijhof’, schiet te kort en doet afbreuk aan de onderwijsdoelstelling van de UT.

De UT wordt door de Vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) voor de rechter gedaagd, omdat het de wet zou overtreden in de verengelsing van de universiteit. De universiteit ziet die rechtszaak bij monde van collegevoorzitter Victor van der Chijs ‘met vertrouwen tegemoet’. Hij geeft aan dat de UT zich aan de wet houdt, en noemt het behoud van het Nederlands een ‘beetje romantische discussie.’

Met deze opmerkingen gaat de UT wel erg gemakkelijk voorbij aan een breed gevoelde zorg: de teloorgang van het Nederlands. Juist een universiteit, waar de toekomstige ingenieurs, politici en topmannen en –vrouwen worden opgeleid, heeft daar een essentiële rol. Dat is niet romantisch, maar pragmatisch. De enige manier om die taal in de vingers te krijgen is door te oefenen. Kinderen leren de taal via hun ouders, studenten ontwikkelen taal als instrument door medestudenten en hoogleraren. En een tweede taal leer je het beste als je de eigen taal goed beheerst.

In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek staat dat onderwijs en examens in het Nederlands zijn. De ontsnappingsclausule voor de UT is artikel 7.2.c. Die zegt dat een uitzondering mogelijk is ‘indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt’. Maar het is wel een erg vrije interpretatie van dit artikel om nagenoeg alle UT-opleidingen om te zetten naar het Engels. Want de geest van de wet is duidelijk: ‘Het onderwijs wordt gegeven en examens afgenomen in het Nederlands’.

Toch hebben de Nederlandse universiteiten, met de UT als een van de troepen vooruit, argumenten voor de verengelsing. De overheid stimuleert internationalisering en ervaring van studenten buiten de grenzen. Daarbij gaat het voornamelijk om beurzenbeleid en vergemakkelijken van onderwijs samen met buitenlandse instellingen. Dat daar – in ieder geval – deels een gemeenschappelijke taal voor nodig is, lijkt logisch.

Maar de geest van de huidige wet is: Nederlands als hoofdtaal, Engels waar het toegevoegde waarde heeft. De universiteiten hebben dat adagium omgedraaid, en dat levert paradoxale situaties op. De UT-opleiding technische natuurkunde, dat als het dorp van Asterix weerstand biedt tegen de Engels-oekaze vanuit het CvB, is steevast de best gewaardeerde bachelor. En de aanloop naar het U-Today verkiezingsdebat zou niet misstaan in een Monty Python-sketch. Een studentenfractie vraagt met klem om Engels als voertaal, maar verzoekt ook de nummer twee van de lijst af te vaardigen. Want de lijstrekker voelt zich niet senang genoeg om in het Engels te debatteren.

Dit laatste voorbeeld is tekenend. Als mensen hebben we ten minste één taal nodig die we voldoende beheersen. Als hoogst mogelijke onderwijsinstelling komt daar bij dat studenten niet alleen de taal begrijpen, maar die ook als instrument leren bespelen. Het huidige beleid, vrij vertaald naar: ‘Engels is de voertaal, en het Taal Coördinatie Punt zit in de Vrijhof’, schiet te kort en doet afbreuk aan de onderwijsdoelstelling van de UT.