BON heeft groot gelijk

| Dick Meijer

Momenteel geef ik een half jaar les aan een universiteit in het straatarme Gambia aan de Afrikaanse westkust. Zo bezien ben ik een schoolvoorbeeld van de door het college zo gewenste internationalisering – en dus ook een goede reden om mijn mening te geven over het internationalisering- en ‘verengelsing’-beleid van de UT, nu BON de UT voor de rechter daagt.

Photo by: Arjan Reef

Bestuurlijke vernieuwingsdwang

Het was mij bij de bespreking van de internationaliseringsvisie van het college in de Uraad meteen duidelijk: weer zo’n doorgeslagen beleidsverandering. Koste wat het kost, moest de Engelse taal aan alle opleidingen worden opgelegd. We hebben dit ‘beleidsmatig doorslaan’ helaas vaker meegemaakt: bij de ‘kanteling’ van de onderzoekinstituten (inmiddels teruggedraaid), de verregaande digitalisering van het onderwijs (nauwelijks wat van terecht gekomen) en de didactische vernieuwing van het bachelor-onderwijs/TOM (leidt nog altijd tot een stammenstrijd op deze universiteit).

Er is een overeenkomst van deze ‘visionaire’ beleidsveranderingen met het internationaliseringsbeleid (of liever: ‘We-gaan-gewoon-alles-in-het-Engels-doen-beleid’): het veranderingsproces wordt beleidsmatig en bestuurlijk van bovenaf aan de ‘onderknuppels’ opgelegd, met allerlei foute en oneigenlijke argumenten. Zo werd het doemscenario geschetst dat de UT bijkans ten onder zou gaan, als de demografische ontwikkeling in de regio de studentenaantallen zouden doen verminderen.

Taalvaardigheid

Na aandringen van de UR zou er per opleiding in ieder geval een goede afweging gemaakt moeten worden over ‘het Nederlands, tenzij’, zoals de wet voorschrijft. Bij een positief besluit zou een overgangsplan opgesteld moeten worden, met aandacht voor taalvaardigheid. Daar is in de praktijk weinig van terechtgekomen: in de hiërarchische lijn werd druk gezet om z.s.m. over te gaan op het Engels en van aandacht voor de nadelen, zoals de taalvaardigheid van docenten en studenten, is amper sprake. Om maar wat te noemen: voor levendig en overtuigend lesgeven in het Engels is het vereiste niveau C1 volstrekt onvoldoende, idem voor de eisen aan de Engelse taalvaardigheid van studenten.

Taal en techniek

Ik heb niets tegen intensivering van internationale contacten van de universiteit: ik heb zelf de leukste ervaringen vooral in het buitenland of met buitenlanders opgedaan. Overigens, zonder ook maar ooit zelf één college in het Engels gevolgd te hebben.
Maar tegelijkertijd ben ik vooral voorstander van goed onderwijs. En onderwijs verzorg je (ook ik) nog altijd, vooral en bij voorkeur, in je moeders taal. De kwaliteit van het onderwijs loopt al jaren terug, onder meer door het rendementsstreven en minder docenten voor meer studenten: bij de kansrekening- en statistiek-vakken, die ik verzorg, deels nog aan de zelfde opleidingen als 30 jaar geleden, neemt het niveau en de abstractie aantoonbaar af. Maar daar komt nu bij dat contextuele opdrachten voor veel groepen van studenten op taalbarrières stuiten, hetgeen het aanleren ervan en toetsen erop haast onmogelijk maken.

Exact taalgebruik is juist in de techniek een belangrijk hulpmiddel bij kennisoverdracht, bij analyseren en redeneren en bij het communiceren over techniek met de rest van de samenleving. Als je dat niet in je eigen taal kunt, dan wordt het in het Engels helemaal behelpen en wordt je communicatie met de samenleving gebrekkig.

BON ziet het juist

Dus: Beter Onderwijs Nederland heeft een zeer terecht punt: de UT slaat door als het gaat om de nagestreefde totale verengelsing, het gaat ten koste van de kwaliteit van het leerproces (dus van de eindtermen van de opleidingen) en van het bedienen van de Nederlandse kenniseconomie. Deze rechtszaak en de landelijke discussie over de ongewenste effecten, zoals (te) hoge studentenaantallen, kwaliteit van onderwijs en de rol van het WO in Nederland, tonen eens temeer aan dat de argumenten van het college bij het vaststellen van het beleid de plank missloegen.

En dan gaat het niet aan om het nu af te doen als ‘een romantische discussie’ en te beweren dat 30% van de docenten alleen in het Engels kunnen lesgeven. Dat percentage ligt bij de vaste staf, die het leeuwendeel van het onderwijs verzorgt ruim onder de 10 procent. En het geeft ook goed aan waar het aan ontbreekt: een adequaat taalbeleid (tweetalenbeleid!) en een gebrek aan inspanningen om de buitenlandse werknemers en studenten te laten integreren in de Nederlandse samenleving. Maar dat krijg je met ‘internationalisering = verengelsing visie’.

Heroverweging ‘verengelsing’

Dus: hulde aan BON, dat nu voor ons de kolen uit het juridische vuur haalt. Ongeacht de uitkomst van de rechtszaak is het m.i. noodzakelijk om opnieuw te bedenken waarom, na (bijna) alle master-opleidingen, ook alle bacheloropleidingen aan de UT zouden moeten omschakelen naar het Engels – en wat daarvan nu eigenlijk de meerwaarde is. Dat het de onderwijskwaliteit en de kansen op de arbeidsmarkt zou verbeteren, zijn in ieder geval non-argumenten gebleken. En het doel van internationalisering als verrijking valt weg als 80% van een opleiding Duits is of als in de praktijk subgroepen van verschillende talen en culturen ontstaan. Hoogste tijd dus om de overgang naar Engelstalige opleidingen te heroverwegen. Voor de UT moet haar maatschappelijke hoofdtaak weer leidend zijn: een regionaal instroompunt voor (techniek)studenten en aanjager van de Nederlandse kenniseconomie.

En ja, de Uraad, als enige onafhankelijke orgaan op centraal niveau, moet kritischer, meer assertief en meer vasthoudend zijn en ongewenst beleid tijdig bijstellen of blokkeren.


Dick Meijer, vanuit Gambia en vanaf volgend academisch jaar weer volledig beschikbaar voor de Universiteitsraad namens de PvdUT.