Er zijn UT’ers die het liefst in het spreekwoordelijke harnas sterven. Zo staat Maarten van Steen er niet in, nu zijn pensioen nadert. ‘Er is een tijd van komen en een tijd van gaan. Mijn moeder is nu 95. Mogelijkerwijs heb ik dus nog 28 jaar voor de boeg. Dan is nu hét moment om die forse verandering aan te gaan voordat ik het fysiek of mentaal niet meer kan. Het feit is ook dat wetenschappers om me heen toch heel anders – en vlotter – wetenschap bedrijven. Dus ik vind het ook van realiteitszin getuigen om te zeggen: ik stop ermee.’
‘Gedoe-baan’
Maarten van Steen stond de afgelopen elf jaar aan het roer van het Digital Society Institute op de UT, een voornamelijk bestuurlijke functie. ‘Zie het als een soort wetenschapsmanager. Dat is ontzettend leuk. Ik heb uiteindelijk in Twente heel veel geleerd – dingen die ik elders niet had geleerd. Maar om eerlijk te zijn: ik kijk uit naar mijn pensioen. Het is uiteindelijk wel een gedoe-baan. Om dat allemaal niet meer aan mijn hoofd te hebben is ergens een prettige gedachte. Natuurlijk ga ik mijn nieuwsgierigheid behouden, ik geef er alleen een andere invulling aan.’
Daarover later meer. Van Steen, alumnus toegepaste wiskunde, volgde na zijn UT-studie een promotietraject in Leiden. Dat wel in de informatica, wat na een omschakeling geen probleem bleek voor de zelfverklaard ‘knutselaar’. Na enkele jaren bij onderzoeksorganisatie TNO en de Erasmus Universiteit Rotterdam belandde Van Steen bij de groep van Andrew Tanenbaum aan de Vrije Universiteit. ‘Daar leerde ik het vak echt. Ik kan iedereen aanraden om jezelf kopieergedrag aan te meten – niet in de vorm van plagiaat, maar door te kijken naar hoe iemand anders succesvol wetenschap bedrijft. In het geval van Andy, het was super-Amerikaans: wars van hiërarchie, niemand opleggen wat te doen, maar vooral vragen om uit te leggen. Lukt het je niet om simpel uit te leggen wat je doet, dan snap je het waarschijnlijk niet. Dat idee. Daar leerde ik mijn stijl van onderzoek doen.’
![]()
Eigenwijs
Een stapje hogerop in Amsterdam leek bijna een formaliteit. Van Steen, als departementshoofd informatica bij de VU, was nauw betrokken bij een mogelijke fusie met de evenknie van buurman UvA. De UT klopte toen al – eerst tevergeefs – bij hem aan. Toen de fusie op het laatste moment afketste vanwege ‘stomme politieke redenen’ en tot frustratie van Van Steen, lonkte daar opnieuw zijn alma mater. De keuze was vervolgens snel gemaakt. Van Steen werd in 2015 wetenschappelijk directeur van CTIT – later omgedoopt tot het Digital Society Institute (DSI) zoals we het vandaag de dag kennen.
'Sommige mensen zijn ontzettend goed om continu hun hele omgeving te informeren. Dat zit er bij mij helaas niet in'
In de afgelopen elf jaar als WD leerde Van Steen zowel veel over zichzelf als over de Universiteit Twente. ‘Mijn persoonlijke les is dat ik veel meer mensen had moeten meenemen. Ik kan soms iets in m’n kop hebben: dít moet het worden! En dan vergeet ik dat andere mensen te vertellen. Sommige mensen zijn ontzettend goed om continu hun hele omgeving te informeren. Dat zit er bij mij helaas niet in. Bovendien kan ik erg eigenwijs zijn. Dat is geen fijne combinatie. Daar heb ik – zeker in het begin – vaak mijn neus op gestoten. Wat helpt is dat je de juiste mensen om je heen hebt die er wat van zeggen, zoals DSI-collega Stephanie Hessing.’
Overorganisatie en voordeuren
Hij leerde bijzonder veel over de UT. ‘Als ik het scherp formuleer: we zijn heel goed in het probleem identificeren en de oplossing zoeken in de organisatie. Ik geloof er geen donder van dat dat werkt. In meerdere gevallen heeft dat tot overorganisatie geleid.’ Wat hij daar concreet mee bedoelt? ‘Op dit moment hebben we gekozen voor vier impactdomeinen, voorlopig drie instituten en vijf faculteiten. Ik durf er nu al gif op in te nemen dat er een strategieplan moet komen per impactdomein, per instituut en per faculteit. Dat zijn twaalf strategieplannen. Daar klopt iets niet… Dát heet bij mij overorganiseren. Eigenlijk moeten we helemaal geen instituten meer hebben.’
'Als ik diep in mijn hart kijk, dan hadden we dat anders mogen hebben dan instituten'
Het klinkt als vloeken in de kerk. Iemand die elf jaar aan het hoofd stond van een onderzoeksinstituut ziet het liefste alle instituten verdwijnen op de UT. ‘Als ik diep in mijn hart kijk, dan hadden we dat anders mogen hebben dan instituten. We hechten wel héél veel waarde aan het begrip en minder aan de daadwerkelijke meerwaarde van iets. Het is ook niet zo dat ik tegen instituten ben; het opheffen kan geen doel op zich zijn. Maar kan het wat eenvoudiger? Kunnen we het goede werk van de instituten en wat we nodig hebben voor de impactdomeinen niet veel eenvoudiger organiseren, bijvoorbeeld door alles te bundelen tot één impactinstituut en vooral te blijven concentreren op inhoud?’
De UT heeft volgens Van Steen de reflex om een veelheid aan voordeuren te creëren, zoals hij het noemt. ‘Iedereen wil onder eigen vlag en eigen label naar buiten toe treden. Dat maakt het voor de buitenwereld alleen maar verwarrender. We zijn een kleine universiteit. Dat je meerdere voordeuren hebt, dat is prima. Maar niet te veel. Dat hoef je niet uit te venten als instituut, of in een andere vorm. Ik hoop nog steeds dat het gaat gebeuren dat onze feitelijke organisatie minimalistisch is, maar dat wel iedereen effectief gemobiliseerd is als er vragen binnenkomen. Lean en mean. De buitenwereld, die hoeft alleen maar te weten: dáár is de voordeur van de UT.’
'Ik ben er in zekere zin trots op dat we het Digital Society Institute zo klein hebben gehouden'
Zichtbaarheid
Opvallend genoeg is dat één van de dingen waar hij met trots op terugkijkt: de zichtbaarheid – of het gebrek eraan – van het Digital Society Institute. Er zit namelijk een dubbelzinnigheid in: andere instituten, MESA+ en het TechMed Centre, daar kun je op de campus niet omheen. Van Steen en zijn collega’s zitten ergens op de derde verdieping van de Zilverling. Je zou er zo voorbijlopen. ‘Het is altijd een bewuste keuze geweest om niet DSI te marketen, maar de UT te marketen’, zegt de wetenschappelijk directeur daarover. ‘Dus ik ben er in zekere zin trots op dat we DSI zo klein hebben gehouden. We zijn bestuurlijk en fysiek misschien niet zo zichtbaar, maar de werkvloer én de buitenwacht weet ons ontzettend goed te vinden. Dat vind ik veel belangrijker. ‘Én dat we richting die buitenwacht altijd als UT opereerden, niet als DSI.’
Enige trots koestert hij ook over het Centrum voor Veiligheid en Digitalisering in Apeldoorn; een initiatief van de UT, Saxion, de Politieacademie, de Gemeente Apeldoorn en andere partijen. ‘Het was een ietwat moeizame start met veel aftasten. Maar dat is helemaal niet erg. Je leert het meeste van de mensen die anders zijn dan jij. Nu is het moment aangebroken dat we kunnen kijken wat zo’n centrum oplevert. Dat is al het geval, maar het kan nog veel meer.’
![]()
Misschien was het Centrum voor Veiligheid en Digitalisering (CVD) er nooit gekomen zonder de kansen die Van Steen zag. ‘Geert Dewulf (voormalig directeur Strategic Business Development, red.) zei eens dat het CVD onder andere gelukt is omdat één persoon gek genoeg was om daar met het volle gewicht tegenaan te gaan. Een mooi compliment.’ Zelf ziet hij vooral andere redenen voor het voorlopige slagen van het initiatief. ‘Iedereen zit er niet voor zichzelf of voor de eigen instelling, maar voor het CVD. Die mentaliteit, het collectieve vermogen om over de eigen schaduw heen te stappen, dat is ontzettend belangrijk. In die lijn hoop ik ook dat we steeds meer in staat zijn om niet alleen de UT naar voren te schuiven, maar de gehele regio.’
Boek schrijven
Het getrek en gesleur, het aanjagen, overleggen en schrijven tot laat in de avond. Het hoorde er allemaal bij als wetenschappelijk directeur. Van Steen verruilt zijn gedoe-baan voor wat rustiger vaarwater: de begeleiding van drie promovendi, die zet hij voort. Bovenal wil hij een vijfde editie schrijven van het studieboek Distributed Systems, waarmee hij samen met voormalig VU-collega Tanenbaum aan de wieg stond. ‘Een boek schrijven is gewoon studeren, hoor. Daar heb ik de tijd voor en kijk ik ontzettend naar uit. Het wordt mijn manier om mijn hersencellen actief te houden.’
Dat boek kenmerkt Van Steen. ‘Ik houd ervan om betekenisvol werk te doen, inzetten voor anderen. Het boek is gratis te downloaden. Het is een standaardwerk en wordt wereldwijd gebruikt. Daar ben ik apetrots op.’ Van tijd tot tijd ziet hij een piek in de downloads. ‘Dan zoek ik het altijd even op. Gisteren toevallig, was het Waterloo. Eerder een universiteit in Brazilië en Vietnam, in verschillende Afrikaanse landen. Juist daar waar onderwijs zo verschrikkelijk duur kan zijn. Dan heb ik een klein steentje bijgedragen.’
'Ik gun de UT’ers de kunst van het veranderen meer te omarmen. Om dingen te doen zonder het allemaal zeker te weten'
De kunst van het stoppen
Wat hij de UT wil meegeven, nu hij vertrekt? Die boodschap zit al verpakt in de titel van zijn afscheidsrede die morgen plaatsvindt: ‘De kunst van het stoppen’. ‘Dat slaat op dat overorganiseren: wij stoppen niet met dingen, er komen dingen bij en we maken bestaande initiatieven onnodig complex. Dat moet veel simpeler. Maak keuzes.’ Hij wijst ook op een kracht die de UT te weinig benut. ‘In Amsterdam lukte het met moeite om binnen een afdeling van tweehonderd mensen de groepen te laten samenwerken. De muurtjes waren onderling veel te hoog opgetrokken. Dat ontbreken van muurtjes, dat is de kracht van deze universiteit. Dat ziet en erkent ook de buitenwereld. Vanuit ASML is dit ooit eens expliciet gezegd over de UT: op werkvloerniveau weten mensen elkaar verdomd goed te vinden. Je kunt hier individuen, maar nog meer groepen mensen aanwijzen. En die nemen de volgende keer collega’s mee, ook van buiten de eigen bubbel. Díe kracht zou de UT nog veel meer kunnen benutten.’
Maar Van Steen geeft wel een winstwaarschuwing, juist vanwege de reflex om het onszelf onnodig moeilijk te maken. ‘Ik vind dat onze ondernemende geest zwaar onder druk staat. Ik gun de UT’ers de kunst van het veranderen meer te omarmen. Om dingen te doen zonder het allemaal zeker te weten. Dus ook dingen durven loslaten, al is het maar om er gewoon weer eens vrij over te denken. Anders kom je op achterstand. Want de wereld om ons heen, die verandert wel.’
![]()