Photo by: Rikkert Harink
Spotlight

‘Het is goed na bijna twintig jaar UT’

| Rense Kuipers

Nog een paar weken en dan verruilt Ramses Wessel, hoogleraar Europese Studies, de UT voor de Rijksuniversiteit Groningen. Bijna twintig jaar werkte hij op de campus, als bestuurskundige en bestuurder, als een van de grondleggers van TOM en als onderwijsman in hart en nieren.

Eén wand in het kantoor van Ramses Wessel (55) in de Ravelijn beslaat een volledig gevulde boekenkast. Op tafel ligt een imposante stapel van zijn eigen schrijfwerk: dikke pillen over Europees en internationaal recht. ‘Volgens mij ben ik de meest actieve publicist binnen de vakgroep’, constateert hij, en verzucht: ‘Ik moet nog wel op zoek naar genoeg verhuisdozen.’

Na de jaarwisseling verruilt hij de UT voor de Rijksuniversiteit Groningen. Wie een blik werpt op zijn lijst aan werkzaamheden, beseft dat hij tot die tijd nog druk genoeg is. ‘Tachtig uur per week werken hoort erbij. Je moet in zo’n functie accepteren dat je de helft van je werk in je eigen tijd doet. Maar dat geeft niet, het is leuk. Ik sta eigenlijk altijd aan, dat gaat ook in Groningen of onderweg in de trein niet veranderen.’

Koetjes en kalfjes

Wessel vindt het belangrijk om zich niet op te sluiten in zijn kantoor in de Ravelijn. Zo is hij deze tijd onder meer te vinden in Genève, Leuven, Pisa en Den Haag. Als panellid, spreker, workshopleider of gewoon, om te netwerken met internationale onderzoekers. ‘Het mooie van onderzoek is dat je het bijna altijd samen met anderen doet. Ik vind het belangrijk om te netwerken, andere mensen op te zoeken voor nieuwe projecten.’ Al is het een diepgravende dialoog over de gevolgen van post-Brexit participatie van de Britten voor EU-wetgeving. Of een gesprek over koetjes en kalfjes als het late dineren van Spanjaarden, dat is Wessel om het even. ‘Juist geconfronteerd worden met die op het oog nietszeggende culturele verschillen, is ontzettend belangrijk. Die koetjes en kalfjes kunnen uiteindelijk doorslaggevend zijn in diplomatieke processen. Geloof me, in Brussel zijn we als Nederlanders zo direct en doelgericht dat dit nog weleens averechts werkt. Als wij aan de vergadertafel willen, zitten de Italianen en Fransen aan de lunch met een wijntje. In zo’n geval dreigt wederzijdse frustratie. Mijn punt is: iedere bestuurskundige moet een antenne voor dit soort verschillen ontwikkelen.’

'De wereld is groter dan, zeg maar, Losser'

‘Niet terugtrekken’

Daarmee slaat de hoogleraar meteen de brug naar een van de redenen waarom het een goed moment is voor zijn vertrek uit Twente. Na het vertrek van Nico Groenendijk in 2017, met wie Wessel het Centre for European Studies startte, was hij nog een van de weinigen binnen bestuurskunde die zich bezighield met de Europese Unie als bestuurslaag. De blik naar Europa was de laatste jaren aan afkalving onderhevig. ‘Het is een keuze van de faculteit om zich meer te richten op lokale en regionale bestuurskunde’, legt de hoogleraar uit. ‘Vanwege de samenhang tussen bestuurslagen voor mij een onbegrijpelijke keuze, één waar ik me – tevergeefs – constant tegen heb verzet. Ja, ik maak me zorgen. Ik vind namelijk dat je het lokale niet kan loszingen van het internationale. Dat het de laatste tijd zo druk was op het Malieveld en dat boeren de deur van het provinciehuis in Groningen ramden, is allemaal terug te voeren naar wetten die jaren geleden zijn gemaakt in Brussel. In de vakgroep hebben we altijd oog gehad voor de gelaagdheid in lokaal-regionaal-nationaal-Europees-internationaal bestuur. Mijn advies aan de vakgroep is om die gelaagdheid vast te houden en zicht te houden op het grotere plaatje, ook in onderwijs. Je kunt je niet terugtrekken tussen Regge en Dinkel. Misschien wat oneerbiedig gezegd, maar de wereld is groter dan, zeg maar, Losser.’

Busje naar Brussel

Europa deed er immers altijd toe binnen bestuurskunde op de UT, stelt Wessel. ‘We waren de eerste en grootste opleiding, ruim veertig jaar geleden. Binnen de studie was er toentertijd ook een Europese track, steevast de populairste. Europese bestuurskunde was echt een ding. Ik kom de studenten van toen nog steeds tegen in Den Haag en Brussel.’ De populariteit en het feit dat andere universiteiten de kunst begonnen af te kijken en ook bestuurskunde gingen aanbieden, was voor Wessel reden om samen met anderen een nieuwe studie op te zetten: European Studies. ‘Als zusje van bestuurskunde. In het eerste jaar hadden we een instroom van zes studenten. Gingen we met een busje naar Brussel om te kijken hoe het eraan toe ging.’

De zes studenten werden het jaar erop twaalf. Vervolgens groeide de opleiding exponentieel, uiteindelijk naar een stabiele instroom van zo’n honderd. De studie bleek ook erg populair onder Duitsers. Onder de naam European Public Administration volgde een joint degree-samenwerking met de universiteit van Münster. De huidige bachelor genaamd Management, Society & Technology heeft dat overgenomen, net als de master European Studies waar een dubbeldiploma-programma met Münster bestaat. Hierdoor kunnen vrijwel alle studenten een tweejarige Master volgen. Ondanks de naamwijziging naar MS&T ziet Wessel ook in de bachelor nog volop interesse voor Europese onderwerpen. ‘De studenten van nu denken uit zichzelf al grensoverschrijdend. Deze generatie leeft in Europa, draait ook haar hand niet om voor een half jaartje studeren in het buitenland. Hun belevingswereld is zoveel groter dan die van studenten van dertig jaar geleden.’

'Ik mis nog te vaak het genuanceerde verhaal'

‘EU buitengewoon voordelig’

Zelf zit Wessel ook al drie decennia in het vak. Ooit wilde hij diplomaat worden, zo besloot hij tijdens zijn rechtenstudie in Groningen in de jaren tachtig. Buitenlandse Zaken vond hem te eigenwijs. Met het advies: je moet de wetenschap in. Een promotie in Utrecht volgde, daarna kwam er een plek vrij in Twente. ‘Maar ik zie mezelf ook als iemand die werkt in Europa. Alles wat ik doe, is met mensen uit andere landen. Velen als collega’s, anderen noem ik al geruime tijd vrienden.’ De eigenwijze Wessel is dan ook uitgesproken pro-EU, in een tijd dat anti steeds populairder lijkt te worden. ‘Ik bestudeer de EU al dertig jaar, dus ik zou er wel iets van moeten weten, hè? Geloof me, de EU is buitengewoon voordelig voor Nederland. Wat Europees lukt, zouden we als klein landje niet voor elkaar kunnen krijgen.’ Wat hem vooral verbaast, is dat de schuld vaak bij Brussel wordt gelegd. Ook door Tweede Kamerleden. ‘Terwijl we weten dat we in Brussel om tafel zitten en een grote rol spelen. We kunnen niet zomaar zeggen dat het de schuld is van de Europese Unie. Je zag dezelfde sentimenten opspelen in het Verenigd Koninkrijk en je ziet waar dat soort sentimenten toe kunnen leiden. Ik mis nog te vaak het genuanceerde verhaal.’

TOM

Naast wetenschapper verdiende Wessel op de UT ook zijn sporen als bestuurder. Onder meer als decaan van de toenmalige faculteit Management & Bestuur, tot zo’n zeven jaar geleden. Velen zullen hem vooral nog kennen als decaan onderwijsvernieuwing; Wessel was een van de drijvende krachten achter het Twents Onderwijsmodel (TOM). ‘Verandering was nodig. Op de oude manier waren studenten te passief. We wilden ze bovenal meer betrekken bij hun onderwijs, want ze konden hun tijd toch veel beter gebruiken?’ Het was een tijd van bezoeken – vliegen naar San Francisco of met bussen naar Denemarken – en een nieuw onderwijsmodel bedenken op basis van die ervaringen en literatuur. ‘Om zoiets nieuws op te zetten was fantastisch, ongelooflijk inspirerend’, zegt Wessel met een glimlach.

'Er stond nergens dat je iedere week moet toetsen'

Niet iedereen was diezelfde mening toegedaan, weet ook de voormalig decaan onderwijsvernieuwing. Er was kritiek. Op de al dan niet nodige reizen, op de toegenomen werkdruk, op het schoolse karakter, op de hoeveelheid toetsen. ‘Terwijl we eigenlijk niets anders zeiden dan: maak vier modules van elk tien weken, zorg dat de vakken geïntegreerd zijn en dat er een project in zit, waarmee studenten vanaf dag één aan de slag kunnen. Er stond nergens dat je iedere week moet toetsen. De praktijk bleek weerbarstiger, op opleidingsniveau zag je verschillen’, blikt Wessel terug. ‘En de beschuldigende vinger wees naar ons, net zoals in Europa die vinger vaak naar Brussel wijst. Ed Brinksma zei het in die tijd treffend: ‘Changing the university is like moving a graveyard. You don’t get much help from the people inside.’ Toch heeft die kritische houding ook iets heel moois. Tekenend voor de UT is de enorme betrokkenheid van mensen. Toen de NVAO langskwam voor de Instellingstoets Kwaliteitszorg in die tijd en TOM nog volop in de steigers stond, waren het juist de meest kritische mensen die het nieuwe onderwijs met hand en tand verdedigden. Ik geloof niet dat ik ooit zoveel solidariteit heb gevoeld.’

'Het voelt als terugkeren naar een universiteit doordrenkt met traditie'

Aantrekkingskracht

Volgens Wessel is TOM inmiddels beroemd in Europa. Andere instellingen sturen nu delegaties naar Twente. Ook de resultaten de laatste jaren in de Keuzegids lijken zijn gelijk te bevestigen. TOM gaat nu richting TOM 2.0, vooral bedoeld om de ondeelbaarheid van modules aan te pakken. ‘Of ik dat jammer vind? Nee, ik vind het juist mooi. Onderwijsvernieuwing en -verbetering is nooit af. Dat doe je in feite iedere dag. Er is nu wel minder aandacht voor binnen de UT, maar dat is niet erg. TOM 2.0 is meer een doorontwikkeling dan een omslag. Dus ik ben niet bang dat het oorspronkelijke gedachtegoed vergeten zal worden: betrokkenheid bij onderwijs van zowel studenten en docenten. En ook werken in projecten, hoe goed of stroperig dat verloopt per project, is precies iets wat je in de beroepspraktijk tegen gaat komen. Dat positieve effect hebben we zeker bereikt.’

Nog een paar weken en hij gaat aan de slag in Groningen. De aantrekkingskracht van Groningen, zijn alma mater, was een bepalende factor. ‘Ik kom op een gerenommeerde leerstoel terecht, ooit als eerst bekleed door oud-minister Laurens-Jan Brinkhorst. Enerzijds zonde dat ik de UT verlaat, want na twintig jaar heb ik met veel mensen op de campus een band opgebouwd. Dat ga ik missen. En in het bijzonder mijn werk als voorzitter van de commissie van Studium Generale. Ik vind het zó ontzettend waardevol voor een universiteit dat kennis zichtbaar en tastbaar wordt gemaakt voor iedereen. Maar ik heb ook het gevoel dat het na bijna twintig jaar UT wel goed is zo. Het voelt als terugkeren naar een universiteit doordrenkt met traditie. Daar heb ik heel veel zin in.’