Spotlight

Altijd tegen de stroom in

| Jelle Posthuma

Het Facebookschandaal, de sleepwet en filterbubbels: het zijn roerige tijden waarin hoogleraar Jan van Dijk afscheid neemt. De professor communicatiewetenschap en nieuwe media geeft vandaag (vrijdagmiddag, 15.00 uur) zijn afscheidscollege. ‘Nu ik met emeritaat ga, heb ik meer ruimte voor radicale gedachten.’

Sociaal engagement zat er bij Van Dijk al vroeg in. Als vijftienjarige boerenzoon uit het Brabantse Peel las hij achter in de klas de dagboeken van Che Guevara. Een paar jaar later verliet hij Brabant om te gaan studeren in Nijmegen, een stad met de geuzennaam ‘Havana aan de Waal’. In de sixties ging de stad van Rooms naar Rood. Van Dijk: ‘Alle jongens en meisjes uit die omgeving waren katholiek opgevoed, maar kregen vanaf de jaren 60 opeens een ander geloof: het marxisme.’ In Nijmegen studeerde Van Dijk sociologie. ‘Maar ik heb meer actie gevoerd dan gestudeerd. Toen ik jong was, behoorde ik tot de protestgeneratie. Ik was een westerse marxist.’

'Plasknop'

Na zijn studie werd Van Dijk al snel universitair docent. Eerst in Tilburg, daarna twintig jaar in Utrecht. ‘Ik zag de opkomst van de computermaatschappij aankomen. Mijn proefschrift heb ik nog geschreven op een typemachine, maar direct daarna kreeg ik een computer.’ Van Dijks eerste onderzoek deed hij begin jaren 80 bij de bank ABN (toen nog zonder AMRO). ‘De computers van de werknemers werden in één netwerk gekoppeld, een soort voorloper van het internet. Ik richtte mij op de werknemers, terwijl andere onderzoekers waarschijnlijk de leidinggevenden zouden interviewen. Het ging mij om de medewerkers. Wat zou de verandering voor hen betekenen? Dat deed ik ook vanuit mijn engagement.’ 

'Wij dachten in de jaren 80: dit zorgt voor meer gelijkheid.'

Na het onderzoek bij ABN, besloot Van Dijk een inventarisatie te maken van het opkomende internet. Wat zou deze techniek van gekoppelde netwerken gaan betekenen voor de maatschappij? Aan de hand van zijn bevindingen schreef hij het boek ‘De Netwerkmaatschappij’. Van Dijk zag dat het internet niet alleen utopisch was. Met name privacy zou een heet hangijzer worden. ‘Neem de ABN-medewerkers. Zij waren aangesloten op het netwerk en kregen een ‘’plasknop’’. Met deze knop moesten ze aangeven wanneer ze naar de wc gingen. Daar waren de werknemers niet blij mee, want dat tastte hun privacy aan.’

Democratie

Het internet stond in de jaren tachtig nog in de kinderschoenen, zegt Van Dijk. ‘We gebruikten usergroups: verschillende communities op het internet. Die groepen bestonden voornamelijk uit academici en technici. Toen was het idee: dit is ons netwerk. We kunnen met dit netwerk de maatschappij in goede zin veranderen. Het is een middel voor meer autonomie en democratie, want op het internet is de informatie voor iedereen beschikbaar en behapbaar. Wij dachten in de jaren 80: dit zorgt voor meer gelijkheid.’

'Iedereen heeft iets te verbergen'

Volgens Van Dijk heeft het neoliberalisme de ontwikkeling van het internet bepaald. ‘Het netwerk is in beginsel vrij toegankelijk en decentraal. Het verdienmodel van bedrijven als Google is gebaseerd op advertenties. Dat maakt hun diensten gratis voor gebruikers. Maar we betalen door onze privacy op te geven, want niets is écht gratis.’ In de jaren 80 was Van Dijks kritische blik een uitzondering. ‘Ik ga altijd tegen de stroom in. Voor mij is het nooit helemaal utopisch, maar ook niet dystopisch. Op dit moment komt het negatieve sterk naar voren in de pers. Als dat gebeurt, heb ik de neiging om het positieve te benadrukken.’

Algoritmes

De onbeperkte toegang tot informatie is zo’n positief punt, zegt Van Dijk. ‘Maar er staat veel te veel op het internet. Daarom zijn er intermediairs, zoals Google, Facebook en Apple. Zij hebben de macht om met algoritmes bepaalde informatie voorrang te geven.’ Het is een van de aanbevelingen die Van Dijk in zijn afscheidsrede doet: maak deze algoritmes openbaar. ‘Op het internet krijg je te zien, wat anderen willen dat je ziet. In beginsel moeten we de algoritmes van Facebook kennen. Nu is het geheim. Facebook is een massamedium geworden: ze hebben de verantwoordelijkheid om te laten zien hoe hun selectie tot stand komt.’  

Naast het openbaar maken van algoritmes, pleit Van Dijk voor een sociaal netwerk dat rekening houdt met de privacy van gebruikers. De hoogleraar vraagt regelmatig aan zijn studenten: ‘zouden jullie zo’n netwerk willen?’ ‘Vijftien procent geeft aan vijf euro voor een dergelijk netwerk over te hebben. De rest wil hun privacy verkopen, met het idee: we hebben niets te verbergen. Maar iedereen heeft iets te verbergen.’ Desondanks stemt de uitslag van het Wiv-referendum Van Dijk positief. ‘Jongeren hebben overwegend tegen gestemd. Nu is gebleken dat ze privacy belangrijker vinden dan zogenaamde veiligheid. Het zijn de ouderen die zeggen: ik heb niets te verbergen.’  

'Het is een mythe dat wetenschappers kunnen zeggen wat ze willen.'

Ongelijkheid

‘Ik heb zelf een pacemaker. Privacy is voor mij een reden om deze niet te koppelen aan het ziekenhuis, waar ze het apparaat kunnen uitlezen. Bovendien zou ik gehackt kunnen worden.’ Om de juiste keuzes te maken in het digitale tijdperk, hebben mensen volgens Van Dijk strategische vaardigheden nodig. ‘Anders wordt de ongelijkheid alleen maar groter.’

De zorgen over groeiende ongelijkheid in het digitale tijdperk: Van Dijks engagement is nog altijd aanwezig. In de jaren 80 was hij een van de oprichters van GroenLinks. ‘Toen Femke Halsema – een oud-student van mij – aan het roer stond, vond ik dat de partij te veel naar D66 groeide. Dat was mij niet radicaal genoeg. Met Jesse Klaver gaat het weer de goede kant op. Nu ik met emeritaat ga, heb ik meer ruimte voor die radicale gedachten. Ook als wetenschapper heb je opdrachtgevers. Het is een mythe dat wetenschappers kunnen zeggen wat ze willen.’


Het afscheidscollege dat Van Dijk op vrijdag 6 april geeft, heeft als titel: ‘Alles, Altijd en Overal Verbonden; Het Internet van Mensen en Dingen’. De rede vindt om 15.00 uur plaats in de Waaier op de campus van de Universiteit Twente.