Spotlight

‘De brand was een wake-up call’

| Rense Kuipers

Het is vandaag precies vijftien jaar geleden dat het toenmalige TW/RC-gebouw – de huidige Cubicus – voor de helft in vlammen opging. De brand werd aangestoken door een medewerker, die later werd veroordeeld tot tbs. Enkele betrokkenen blikken terug op die zwarte bladzijde in de UT-geschiedenis.

Woensdag 20 november 2002. ’s Ochtends rond half acht signaleren enkele vroege vogels de eerste tekenen. Rook. Brand. Gevolgd door alarm. Het handjevol mensen dat al in het gebouw is wordt geëvacueerd. Al snel grijpen de vlammen om zich heen. Het duurt niet lang voordat zwarte rookpluimen boven het gebouw uittorenen, gevolgd door een vuurzee. De A- en D-vleugel van het gebouw gaan verloren, met daarin de opleiding toegepaste wiskunde, de afdeling wijsbegeerte en de centrale serverruimte van de toenmalige dienst CIV (nu LISA). De gevolgen zijn dan nog niet te overzien: honderden medewerkers, zeker die van afdeling toegepaste wiskunde, zien met lede ogen aan hoe hun werkplekken in vlammen opgaan. Ze denken aan hun onderzoek, wel of niet veilig opgeslagen? Tentamens die ergens nog in een kast liggen om nagekeken te worden? Persoonlijke spullen die verschroeien? Wat rest op zo’n moment is onmacht, onzekerheid, verslagenheid. Slechts kijken en het lijdzaam ondergaan.

ICT in het hart getroffen

Erik Nijboer, toen werkzaam voor de dienst CIV, kan het zich nog goed voor de geest halen. Toen hij die bewuste ochtend de deur uitging en brandweerwagens voorbij zag sjezen, was zijn eerste vermoeden dat ze – zoals wel vaker – een brandje moesten blussen bij een verzorgingstehuis bij hem in de buurt in Hengelo. Nog geen argwaan, maar dat sloeg langzaam om toen hij zich realiseerde dat hij de brandweerauto’s via de Hengelosestraat volgde richting campus.

'Huilende wetenschappers, een sfeer van een en al ellende. Verschrikkelijk.'

Tot zijn grote schrik stond het TW/RC-gebouw in lichterlaaie. Nijboer besloot zijn fototoestel te pakken, die nog in de auto lag na het personeelsfeestje van de vorige avond, en de ramp vast te leggen. Hij wist meteen dat het misse boel was, voor de gehele UT. Dit is de plek waar het datacentrum staat. Met de kern van het UT-netwerk, waar vele servers aanhangen. Of beter gezegd aanhing, want nadat de brand de serverruimte eenmaal bereikte ging alles op zwart. De ICT-voorzieningen waren in hun hart getroffen.

Foto: Erik Nijboer

Ongeloof

Ook onderzoeker Mirjam Galetzka had niet verwacht dat haar dag op deze manier zou beginnen. ‘Eigenlijk was ik op weg naar m’n werk om collega’s te vertellen dat ik zwanger was. Ik liep naar het gebouw, keek omhoog… En ja, dan lijkt het alsof de tijd stilstaat. Dan dringt het langzaam tot je door wat er gaande is. Hé, dat is ons gebouw dat in brand staat. Het is een mix van een feitelijke constatering en totaal ongeloof. Ik ben later maar naar huis gegaan. Toen pas kwam de echte klap.’

'Uiteindelijk moest ik mensen écht naar huis sturen.'

Tijd om er naar huis te gaan was er niet bij voor ICT’er Nijboer. Als lid van het calamiteitenteam moest hij samen met collega’s zorgen dat de ICT-voorzieningen weer zo snel mogelijk op orde kwamen. ‘Op een gegeven moment liep ik met drie verschillende telefoons over de campus om allerlei zaken te regelen. Het gebouw stond nog in lichterlaaie of de eerste vrachtwagens waren al onderweg. Zelfs vanuit Frankrijk’, vertelt hij. Geluk bij een ongeluk had de dienst CIV al plannen om een datacentrum in het Seinhuis in te richten. Maar het grootste geluk bevond zich in twee koffers. Met daarin praktisch alle back-upbestanden van de servers die in het TW/RC-gebouw opgesteld stonden. ‘Die waren echt goud waard’, aldus Nijboer.

Samen met collega’s werkte hij een week lang bijna dag en nacht om het netwerk weer aan de praat te krijgen. En alle centraal opgeslagen data van UT’ers terug te krijgen. ‘Dat is goed gelukt’, herinnert Nijboer zich. ‘Twee dagen na de ramp begon het netwerk weer op gang te komen. Na het weekend was de e-mail weer beschikbaar en een paar dagen daarna waren alle productiesystemen weer operationeel.’

waar staan de servers nu?

‘De brand was een wake-up call, niet alleen voor de UT, maar ook voor andere instellingen’, aldus Nijboer. ‘De boodschap: zorg dat je je zaakjes goed voor elkaar hebt. Dat je altijd een back-upsysteem hebt. Wij zijn meteen overgegaan tot het inrichten van twee locaties met serverapparatuur. De hoofdlocatie is in het Seinhuis (bij het Paviljoen, red.), de back-uplocatie is het Teehuis (achter de Zilverling, red.). Mocht er nu iets desastreus gebeuren, dan kan verder gewerkt worden op de servers op de andere locatie.

Publiciteitsstunt

In de tussentijd was er een schone taak voor Galetzka weggelegd. Ze werd met een hoogwerker het dak van het afgebrande gebouw opgehesen, om tentamens te redden. ‘Ik denk nog steeds dat het een publiciteitsstunt was van de toenmalige rector, Frans van Vught. Mij werd gevraagd om te kijken wat er nog te redden zou vallen. Dus ik moest een helm op, werd in een bakje gezet en moest de brandweermannen helpen door aan te wijzen wat nog de moeite was om te redden.’

Een van die dingen was een doos vol tentamens, die de vrijdag voor de ramp waren afgenomen maar nog nagekeken moesten worden. Galetzka had ze ‘veilig’ op het secretariaat neergezet. ‘Van dat secretariaat was nauwelijks iets over. De doos met tentamens stond op de grond en had al die dagen dertig centimeter diep in bluswater gestaan. Maar het doosje is gered en werd vervolgens naar een bedrijf gebracht dat de tentamens kon vriesdrogen’, vertelt Galetzka. ‘Het is een klein wonder, maar toen we het pakket terugkregen waren alle tentamens in vrij goede staat. Toegegeven, het papier was vergeeld en de teksten waren minder goed leesbaar. Maar het is gelukt om de tentamens na te kijken.’

Toenmalig rector Frans van Vught, naast toenmalig staatssecretaris Annette Nijs.

Noodeditie

Wat onder meer wel verloren ging was een groot gedeelte van de weekkrant van het toenmalige UT Nieuws, weet huidig U-Today hoofdredacteur Maaike Platvoet zich te herinneren. Veel artikelen die al klaar waren om gedrukt te worden voor de wekelijkse krant, gingen verloren. ‘Maar eigenlijk was dat niet eens zo belangrijk meer. Met de redactie besloten wij meteen dat er dan maar een noodeditie moest komen.’

‘Binnen de kortste keren stond ik met kladblok en pen in de hand voor het TW/RC-gebouw. Om verhalen op te tekenen. Want je wil natuurlijk de UT-gemeenschap van nieuws gaat voorzien’, vertelt Platvoet. ‘De hele dag was het niks anders dan rennen en vliegen. Maar zoals met elke ramp hangt er nog zoveel onduidelijkheid in de lucht. Waardoor kwam dit? Wie is er getroffen? Wat nu? Natuurlijk, je moet je werk doen, op een zorgvuldige en integere manier. Sommige beelden zal ik nooit meer vergeten. Huilende wetenschappers, een sfeer van een en al ellende. Verschrikkelijk.’

Grazende koeien en stiekeme foto’s

Met een nog steeds iconische foto op de voorpagina – grazende koeien op de voorgrond en de gitzwarte rookpluimen op de achtergrond kwam er uiteindelijk een noodeditie tot stand. Toenmalig UT Nieuws-hoofdredacteur Bert Groenman wist nog wat stiekeme foto’s te maken van de verbrande resten, tot grote woede van de vastgoedbeheerder Marien Florijn. Niemand mocht het gebouw in, immers. Maar voordat de noodkrant goed en wel kon verschijnen werden good old floppy’s uit de kast gehaald. Die moesten per auto naar drukkerij Wegener gebracht worden. De dag erna kwam de krant uit, met in dikke koeienletters de woorden van rector Frans van Vught: ‘Dit is een ramp voor de UT’. En daar was geen woord aan gelogen.

Schreeuw om aandacht

Degene die de brand op zijn geweten had, was Hugo B.. Een jonge assistent-systeembeheerder, werkzaam voor de opleiding toegepaste wiskunde. Zijn daad bleek al snel een schreeuw om aandacht. ‘En iemand met een op z’n zachtst gezegd moeilijke thuissituatie. Hij was stil en teruggetrokken’, weet Platvoet zich te herinneren van de rechtszaken die volgden en waarvan zij samen met een collega verslag deed. ‘In aanloop naar de brand begon het al met wat kleinere incidenten. Het leksteken van banden of zand in printers strooien, zodat hij als eerste aanwezig was om te helpen… Alles om aandacht te krijgen. Maar uiteindelijk stak hij de boel daadwerkelijk in de fik. Met desastreuze gevolgen.’

'Met z’n allen heb je zo’n onbeschrijflijk gevoel van plichtsbesef. En de wil om samen de moed erin te houden.'

Dat beaamt Galetzka. ‘Het is wel heftig en confronterend als blijkt dat iemand die je dagelijks gedag zegt tot zoiets in staat is. Naar mijn weten waren directe collega’s van hem nog lang boos. Het had ook zo’n enorme impact. Mensen raakten écht van alles kwijt. Ik weet me ook nog te herinneren dat een promovendus die net bezig was met verhuizen voor de zekerheid al zijn verzekeringspapieren in zijn kantoor had opgeborgen. Daar was niets meer van over.’

Plichtsbesef

De nasleep was ook niet mis te verstaan. Tientallen miljoenen euro’s aan schade. Een hele kwestie met de verzekeringsmaatschappij. Hele opleidingen en afdelingen die tijdelijk onderdak moesten vinden. Rechtszaken en uiteindelijk een veroordeling van 3 jaar cel en TBS voor de dader. Alles moest weer opstarten, de hele netwerkinfrastructuur weer op orde krijgen.

De hectische dagen na de brand hadden hun weerslag op Nijboer en co. ‘Uiteindelijk moest ik mensen écht naar huis sturen. Ja, ook ik werd door collega’s naar huis gestuurd. Wie vermoeid is, gaat fouten maken. Dat konden we absoluut niet gebruiken, zeker niet in die periode. Maar het bracht het team ook dichter bij elkaar. Met z’n allen heb je zo’n onbeschrijflijk gevoel van plichtsbesef. En de wil om samen de moed erin te houden’, zegt een trotse Nijboer. ‘Ik weet nog dat ik mijn huidige vrouw pas een maand kende en dat ik in het weekend na de ramp haar familie zou ontmoeten. Nou, de familie leerde ik toen niet kennen. Ik had wel iets dringenders te doen. Maar dit maakte de onderlinge band met collega’s zó ontzettend veel sterker. Daar kan geen personeelsfeestje tegenop.’