Spotlight

‘Alleen koplopers overleven’

| Rik Visschedijk

Als ‘jongste bediende’ kwam hij in 1978 naar de UT, waar hij zich als universitair docent bezig hield met computertoepassingen in de productietechniek. Vrijdag neemt hoogleraar design engineering, Fred van Houten, officieel afscheid van de UT. Zijn laatste kunstje: hij haalde Fraunhofer naar de campus. ‘Dat zegt iets over onze kwaliteit’.

Zijn pensionering is een mooi moment om het hart te luchten. ‘De wetenschappelijke gemeenschap is een beetje doorgeslagen’, zegt Van Houten. ‘We leggen te veel nadruk op publicaties, zozeer dat onderzoekers zich ernaar gedragen. Eén enkel onderwerp wordt in vieren geknipt, opdat de onderzoeker sneller een grote publicatielijst opbouwt. Ik zie ook twee artefacten die optreden bij het tellen van citaties. Overzichtsartikelen (position papers) geschreven door beginnende promovendi scoren bovenmatig goed. En er verschijnen artikelen met grote fouten. Die glippen onterecht door de screening vanwege het toegenomen aanbod.’

Rankings

Volgens Van Houten hebben de universiteiten dit systeem zelf in het leven geroepen. ‘Colleges van bestuur zijn geïnteresseerd in rankings. Impliciet en expliciet leggen ze druk op onderzoekers om veel te publiceren. Dat de jonge onderzoeker zich daarnaar voegt, kun je ‘m niet kwalijk nemen. We meten en beoordelen in de praktijk vaak op kwantiteit, waar het om kwaliteit moet gaan. Maak het publiceren en voordragen van wetenschappelijke artikelen op conferenties aantrekkelijker; juist daar is interactie en krijg je direct repliek van je peers.’

Gamma en bèta

‘Het mooie van design engineering aan de UT? De unieke combinatie van gedragswetenschappen en techniek. Neem de ontwikkeling van een versnellingsbak voor een auto; een technicus doet metingen en trekt conclusies. Een gedragswetenschappers kijkt naar de beleving van het schakelen. En dat kan compleet anders zijn dan objectieve metingen. De UT levert daarom een grote bijdrage aan de combinatie van gamma en bèta.’

‘We meten en beoordelen in de praktijk vaak op kwantiteit, waar het om kwaliteit moet gaan’

Veranderen

In de kleine veertig jaar dat Van Houten aan de UT werkte, heeft hij zijn vakgebied zien veranderen. ‘Mijn eerste onderzoekdomein was productietechniek. Later werd dat productie- en ontwerptechniek. Het ontwerponderzoek binnen werktuigbouwkunde is in 1992 stopgezet: er werd alleen nog ontwerponderwijs gegeven totdat ik in 1998 hoogleraar werd. Op dat moment was ons onderzoek vooral gericht op computerondersteuning bij het ontwerpen.’

In 2001 begon de UT met de opleiding industrieel ontwerpen. ‘Zonder budget’, blikt Van Houten terug. ‘Uiteindelijk kreeg ik een ton of drie los voor de verbouwing en meubels. Docenten haalden we voor een derde weg bij werktuigbouwkunde en voor een derde bij psychologie, bedrijfskunde en fysica. De rest moesten we inhuren. In datzelfde jaar fuseerden we met civiele techniek. Daarmee verdrievoudigde het aantal opleidingen binnen de faculteit.’

Meerdere opleidingen in de lucht houden had de nodige gevolgen. ‘De stafleden van het eerste uur hadden hun handen vol aan het onderwijs’, aldus Van Houten. ‘Er ontstond het beeld dat onze medewerkers niet goed scoorden op het gebied van onderzoek. Dat was geen feitelijke constatering, want bij visitaties deden we het gewoon goed.’

‘Daar kwam bij dat de fondsen op ons terrein minder werden’, vervolgt hij. ‘Een bijzondere ontwikkeling, omdat de markt juist vroeg om integrale productontwikkeling. Wij hebben zo’n duizend afgestudeerden en meer dan vijftig gepromoveerden afgeleverd die op heel goede plekken terecht kwamen.’

Flexibele automatisering en industriële robots

Een ander wapenfeit van de hoogleraar is het bedrijf dat hij mede-oprichtte vanuit zijn promotie. ‘We ontwikkelden software voor het programmeren van freesmachines. Het bedrijf heeft vier jaar bestaan en er moest geld bij. Toch wisten we dat er een verdienmodel in zat. In 1995 verkochten we het aan een Israëlisch CAD-CAM bedrijf met garantie van personeelsbehoud. Onze software kwam uiteindelijk bij Siemens PLM terecht. Veel bedrijven gebruiken het. Zelf hield ik er weinig aan over, maar het leverde wel naamsbekendheid op in het industriële netwerk. ‘

Trots is Van Houten op de samenwerking met elektronica-onderneming Thales. ‘Met het T-Xchange lab voor virtual reality waren we twaalf jaar geleden heel vroeg’, zegt hij. ‘We sprokkelden hiervoor anderhalf miljoen euro bij elkaar. Andere universiteiten gebruikten dat geld voor een VR-cave. Die caves kun je zien als een prestigeproject, maar uiteindelijk kwam er niet veel uit. Wij hebben echt een laboratorium neergezet waarmee we internationaal op de kaart kwamen.’

Revolutie

Hoe ziet zijn vakgebied er nu uit en waar gaat het heen? ‘Allereerst; bedrijven moeten veranderen, niet morgen maar vandaag’, zegt Van Houten. ‘Als onze studenten in een fabriek komen, dan zien ze verouderde apparatuur. ‘Moeten we hiermee werken?’, vragen ze zich af. En ze hebben gelijk. De tijd dat je een product ontwikkelde en dat vervolgens jarenlang naar de markt bracht, is voorbij. Fabrieken worden modulair en de consument vraagt om gepersonaliseerde producten. Ze willen kiezen welke functionaliteiten ze in hun auto hebben. Als je over dertig jaar terug kijkt zullen we over deze tijd zeggen: dat was inderdaad een industriële revolutie. En in revoluties overleven de koplopers.’