Op het O&O-plein kreeg ik een stickervel in mijn hand gedrukt.
‘Will you stick with UT?’
Met een schaar knipte ik alleen de voetnoot uit en plakte die boven mijn ThinkPadlogo: ‘Stick smart. Not everywhere. You know where.’
Blijkbaar moet ik op de UT blijven voor een sardineblik, chips zo groot als een frisbee én ganzen. Dat robotje met hartjesogen snap ik nog wel. Maar in bijna zeven jaar UT heb ik nog nooit een gans gezien.
Ooit waren ze als meubilair van de campus nog een politiek beladen onderwerp, omdat ze de Hengelosestraat op waggelden. Met brood werden ze door vijftien man tot drie keer toe uit hun vijver gelokt, richting Akka’s Ganzenparadijs. De nieuwe groep ganzen was nog vriendelijker ook.
Ik wist niet dat vriendschappen met ganzen een mogelijkheid waren. Ik bleef om een andere reden.
De afgelopen weken lag ik door een longontsteking net zo vaak onder een bureau als in mijn eigen bed. Met een donkerblauwe slaapzak onder mijn arm zocht ik plekken waar ik even kon verdwijnen als mijn lichaam vijf studiepunten genoeg vond.
‘Wat is dat?’
‘Slaapspullen.’
‘En wat doe je daarmee?’
‘Slapen.’
Als je studeert is de akoestiek in de Technohal dreunend, maar het is dus ook een perfecte ruis om in weg te zweven. Mensen lopen het hokje van mijn afstudeerbegeleider binnen en zien niet dat er twee meter verderop iemand met haar hoofd onder de vensterbank ligt.
Ik weet ondertussen précies hoe langzaam ik me moet omdraaien om het licht uit te houden.
Het is geen romantisch beeld van studeren. Het is ook niet iets waar je een sticker van maakt. Maar het is wel een van de redenen waarom ik op de UT wil blijven.
Niet omdat alles hier goed gaat. Maar omdat er ruimte is als het nét niet gaat. Omdat mensen liever hebben dat je er bent. Desnoods op de grond.
Stick smart. Not everywhere. You know where.
Ik lig daar al.