Nog altijd glazen plafond in wetenschap

| HOP, Bas Belleman

Voor vrouwen is het moeilijker dan voor mannen om carrière te maken aan de universiteit. Het aandeel vrouwelijke hoogleraren stijgt gestaag, maar het glazen plafond is niet verdwenen. Op de UT is 20 procent van de hoogleraren vrouw, het doel is 25 procent in 2025.

Dat staat in de nieuwe Monitor Vrouwelijke Hoogleraren. Vooral de stap van universitair docent (UD) naar universitair hoofddocent (UHD) is relatief groot, blijkt uit de berekeningen.

Eind september meldde het HOP dat het aandeel vrouwelijke hoogleraren voor het eerst boven de 25 procent uitkwam: een mijlpaal. De nieuwe monitor van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren bevestigt dat.

Maar de monitor kijkt ook naar de tussenstappen: krijgen vrouwen evenveel kansen op de carrièreladder als mannen? Daarvoor gebruiken de makers de zogeheten ‘glazenplafondindex’: de verhouding tussen het aandeel vrouwen in twee aangrenzende functiegroepen.

Stap

De stap van promovendus naar universitair docent – meestal via postdoc-functies – is voor mannen én vrouwen even moeilijk (of makkelijk). Daar zit dus geen glazen plafond. Dat komt in de functies erna.

Vooral de drempel van universitair docent naar hoofdocent is voor vrouwen hoger dan voor mannen. Maar ook bij de doorstroom naar het hoogleraarschap zijn mannen over het algemeen in het voordeel, blijkt uit de index.

Opvallend is dat vrouwelijke hoogleraren gemiddeld een iets grotere contractomvang hebben dan hun mannelijke collega’s: 0,87 tegen 0,84 fte: ruim een uur meer. In de functies eronder is het omgekeerd.

Wel werken vrouwen vaker in tijdelijke dienst, met name als universitair docent: 31,6 procent van de vrouwen tegen 26,8 procent van de mannen heeft een einddatum in het UD-contract.