Tijdelijke contracten hardnekkig aan universiteiten

| HOP, Bas Belleman

Er komt weinig terecht van het terugdringen van tijdelijke banen aan de Nederlandse universiteiten. Meer dan de helft van alle docenten heeft een einddatum in het contract.

Vakbonden en actievoerders klagen er al jaren over, de politiek baalt er ook van, maar er gebeurt weinig mee: de Nederlandse universiteiten tellen nog altijd evenveel tijdelijke aanstellingen als in eerdere jaren.

Voor hoogleraren en universitair hoofddocenten speelt dit probleem niet: zij hebben vrijwel allemaal een vaste baan. Maar voor andere wetenschappers is het niet zo’n feest, blijkt uit de nieuwste cijfers.

Een kwart van alle universitair docenten (UD’s) zit tijdelijk op zijn of haar post. Hetzelfde geldt voor driekwart van de ‘overige’ docenten en onderzoekers. Promovendi hebben sowieso allemaal een tijdelijk contract.

Alles bij elkaar heeft 59 procent van al het personeel aan de universiteiten een tijdelijke aanstelling. Zonder de promovendi en ondersteunende diensten gaat het om 39 procent. Daar komt niet of nauwelijks verandering in.

De tijdelijke contracten zijn al jaren het mikpunt van critici. Wetenschappers moeten al zo hard werken, zeggen ze, en zitten ook nog eens in onzekerheid over hun baan. Het zou zelfs tot psychische problemen leiden.

Ook de politiek – en zelfs de minister – klaagt soms over de tijdelijke contracten in de academische wereld, maar uiteindelijk wil Den Haag zich niet bemoeien met het personeelsbeleid van de universiteiten.

In dat personeelsbeleid zijn grote verschillen. Aan sommige universiteiten krijg je wél een vast contract, aan andere niet. Zo hebben aan de Universiteit van Amsterdam en de TU Delft maar weinig universitair docenten een tijdelijk contract, terwijl dat in Rotterdam voor meer dan de helft geldt. Landelijk zit er al drie jaar geen beweging in.

Ook onder het ‘overig wetenschappelijk personeel’, zoals postdocs en docenten, zijn de verschillen opvallend: aan de Universiteit van Amsterdam werkt nog geen 60 procent op een tijdelijk contract, tegen 89 procent in Utrecht: de helft meer.

De vakbonden wijzen op hun eigen succes – met name universitair docenten hebben toch iets vaker een vast contract dan voorheen – maar ze zien in de nieuwe cijfers geen reden om de strijd te staken.

‘Het wordt een belangrijk onderwerp in de komende cao-onderhandelingen wat ons betreft’, zegt Jan Boersma van vakbond FNV. ‘Ik verwacht dat alle bonden hierin eensgezind optrekken.’ Hij wil minder tijdelijke contracten voor docenten en onderzoekers en vindt het ook niet vanzelfsprekend dat alle promovendi in tijdelijke dienst zijn.

‘De tijdelijke aanstellingen zijn en blijven ons een doorn in het oog’, bevestigt Marijtje Jongsma, bestuurder van de Algemene Onderwijsbond en universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Uit de grote verschillen tussen de universiteiten blijkt volgens haar dat er nog genoeg ruimte voor verbetering is. Structureel werk zoals onderzoek en onderwijs moet in principe worden uitgevoerd door personeel in vaste dienst, vindt zij.

Maar universiteitenvereniging VSNU kijkt er anders tegenaan, laat een woordvoerder weten. Er is immers sprake van een lichte daling van het aandeel tijdelijke contracten, al gaat het ‘minder snel dan we graag zouden willen’.

De vereniging wijst erop dat de duur van een tijdelijk dienstverband de afgelopen jaren ‘aanzienlijk langer’ is geworden. ‘Kortlopende tijdelijke dienstverbanden zijn vervangen door langlopende tijdelijke dienstverbanden van vier jaar of langer. Hiermee wordt meer zekerheid gegeven.’ De cao-afspraken met de vakbonden gaan over contracten korter dan vier jaar.

Verder wijst de VSNU op de onzekerheid in financiering. De bekostiging per student daalt al jaren en universiteiten hebben te maken met veel tijdelijke onderzoeksfinanciering. ‘Deze onzekerheid zorgt dat met name jonge wetenschappers aan het begin van hun carrière tijdelijk worden aangesteld. Meer zekerheid in de financiering draagt bij aan meer vaste dienstverbanden.’