‘Als we beslissingen nemen, waar zit dan de macht?’

| Enith Vlooswijk

‘Aan de borreltafel’ is een rubriek over wetenschap. Wetenschapsjournalist Enith Vlooswijk praat met én tekent over UT-onderzoekers, die vertellen over hun vakgebied en de misvattingen die hierover bestaan. In deze vierde aflevering: Stefan Kuhlmann, hoogleraar Wetenschap, Technologie en Samenleving bij de vakgroep STEPS.

Toen ze nog leefden, probeerde Stefan Kuhlmann zijn ouders wel eens uit te leggen wat zijn baan nou inhield. ‘Dan legde ik het zo goed mogelijk uit en een jaar later vroegen ze het weer. Dan waren ze het vergeten.’

Misschien was het makkelijker geweest als hij gewoon apparaten ontwierp, maar Kuhlmann houdt zich juist bezig met de context waarin dit gebeurt. Een apparaat is nooit slechts een bak technologie, verpakt als wasmachine of mobiele telefoon, die het altijd en overal doet. Omdat iedereen zo’n ding tegenwoordig heeft, nemen we zijn werking voor lief. Onterecht, legt Kuhlman uit.

‘Het mobieltje werkt in de context van een systeem. Daar horen technologische elementen bij, zoals verzendmasten. Voor de digitale transmissie van informatie zijn protocollen, er zijn afspraken over de formaten. Dat is een politiek proces, er zitten machtsverhoudingen van bijvoorbeeld telecombedrijven achter. De overheid reguleert het op nationaal en Europees niveau en dan is er nog het gedrag dat wij in de loop der jaren hebben ontwikkeld als gebruikers. We gebruiken het mobieltje niet alleen voor bellen, maar voor allerlei andere dingen. Daar hoort een hele interneteconomie bij.’

Geef er een aan een groep oerwoudbewoners en ze kunnen er niks mee. Dat besef ontbreekt nogal eens bij leken, merkt Kuhlmann, en ook bij ingenieurs. ‘In de achttiende en negentiende eeuw waren ingenieurs vaak maatschappelijke ondernemers, poltieke actoren. Ze ontwikkelden een techniek niet omdat ze deskundig waren op dat gebied, maar omdat ze een maatschappelijk probleem wilden oplossen. Nu heeft elke ingenieur ook wel de ambitie om maatschappelijke problemen op te lossen, maar de afgelopen dertig jaar vond er een enorme specialisering plaats.’

Daardoor is het makkelijk om blinde vlekken te krijgen voor de sociale, politieke en culturele context waarin nieuwe technologie moet functioneren. Kuhlmann en zijn collega’s proberen niet alleen zicht te krijgen op die context, maar deze ook te delen met technici, beleidsmakers, gebruikers en andere belanghebbenden van nieuwe technologieën. ‘We willen inschatten welke kant een technologische ontwikkeling op kan gaan, welke wenselijke en minder wenselijke scenario’s er zijn. Dat hangt altijd af van keuzes: ingenieurs maken keuzes, gebruikers maken keuzes, beleidsmakers maken keuzes. Als we beslissingen nemen, waar zit dan de macht, waar moet de macht zitten? Je kunt aan allerlei schroefjes draaien en daardoor verschillende richtingen opgaan. Een onderdeel van ons werk is mensen bewust te maken, zodat we niet alleen achter de ontwikkelingen aanlopen en afwachten wat er gebeurt.’

Het is een beetje vervelend dat zulk onderzoek nu uitsluitend online, vanachter een scherm moet plaatsvinden. Tegelijkertijd vindt Kuhlmann de periode die we nu doormaken ongelooflijk interessant. ‘We zitten ongewild in een versnelde transformatie, in allerlei opzichten. Onder meer in het gebruik van digitale technologie voor vergaderingen, voor informatie-uitwisseling, voor communicatie in de breedste zin. En ook in de surveillance, denk aan de corona-apps. Die technologieën waren er al, maar nu zien we een versnelling. Ik ben redelijk zeker dat we na deze crisis niet meer terugkeren naar de situatie van voorheen.’