Werkdruk? Universiteiten, los het zelf maar op

| Wiendelt Steenbergen

De minister heeft de Nederlandse wetenschap gevraagd iets te bedenken om de werkdruk te verlagen. De minister zelf heeft al het goede voorbeeld gegeven: ze zei ‘één miljard euro’. Dat geld komt er niet, maar ze heeft het getal in ieder geval genoemd en dat is al heel wat.

Dus nu is het de beurt aan het werkveld, dat ze uitnodigde ‘om de handen ineen te slaan om de werkdruk (…) zoveel mogelijk terug te dringen’. Het resultaat is een onlangs door de VSNU en NWO gepresenteerd plan. Dit plan stelt het landsbestuur in staat om over een paar jaar weer trots te constateren dat de Nederlandse wetenschap nog steeds van topklasse is, en dat voor bijna hetzelfde geld als voorheen. Dat NWO, als lange arm van de minister, hieraan meewerkt verbaast me niet, maar dat geldt wel voor de ijver waarmee de VSNU, toch de belangenbehartiger van de Nederlandse universiteiten, op dit verzoek is ingegaan. Zeg toch gewoon eens ‘nee’, tot de overheid echt met geld over de brug komt.

Werkdruk: hoe het komt

Maar het plan ligt er nu eenmaal, en er staat in dat de universiteiten samen met NWO een aantal maatregelen doorvoeren. Maar gaan die helpen? Hiertoe zal ik even als een razende door het werkdruklandschap lopen, commentaar leveren en af en toe een vraag stellen.

In het kort wordt de problematische werkdruk in de Nederlandse universitaire wetenschap veroorzaakt door onbalans tussen het aantal onderzoekers en het beschikbare geld, de verwachting dat die onderzoekers veel onderzoek doen, maar dan wel grotendeels op basis van geld dat ze via teveel competitie moet zien te krijgen, en dat bovenop een grote hoeveelheid onderwijs. Fundamentele oplossingen zijn alleen mogelijk als deze problemen zo rechtstreeks mogelijk worden aangepakt, en niet via ingewikkelde constructies waarvan maar moet worden afgewacht of ze effectief zijn.

Hekel aan wetenschappers?

Het plan schampt op een aantal punten aan de fundamentele oplossing. Het bevat een aantal goede dingen. NWO wil meer gaan werken met doorlopend indienen in plaats van deadlines, waardoor voorstellen beter kunnen worden uitgewerkt. Dit is een uitstekend voorstel dat ons deels zou bevrijden van het hijgerig van deadline naar deadline jakkeren. Vreemd genoeg vallen die deadlines nogal eens vlak na een vakantie. NWO wekt daarmee de indruk een hekel aan wetenschappers te hebben. Hier heeft NWO een kans om te bewijzen dat dit niet zo is. Laat NWO royaal zijn in het afschaffen van de deadlines.

Ook sympathiek, maar wel ingewikkeld, is het aanbrengen van meer diversiteit in de loopbanen van universitaire wetenschappers, zodat wetenschappers ook om andere aspecten van hun werk kunnen gewaardeerd dan alleen hun publicaties, en er meer oog is voor wetenschap als teamwerk. Hiervoor haalt het hier besproken plan overigens de notitie Ruimte voor ieders talent van eind vorig jaar aan.

Maar naast deze prima ideeën bevat het plan nogal wat constructies die het universitair bestaan alleen maar ingewikkelder maken, en de werkdruk verhogen.

Aanvragen om het aanvragen?

De veronderstelling is dat er veel voorstellen worden ingediend om het indienen op zich, en dat dat kwalitatief mindere voorstellen oplevert waar we met zijn allen wel veel tijd aan besteden. Het plan bepleit dat de universiteiten het probleem oplossen ‘door het aantal niet-succesvolle aanvragen te verminderen’. Dit is een geniale oplossing waar de altijd nieuwsgierige Anton Dingeman het fijne zou willen weten.

Maar laat ik me niet teveel vrolijk maken over een ongelukkige formulering. Het plan bevat een aantal maatregelen om de grote hoeveelheden voorstellen in te dammen, zoals 1) uitbreiding van de Universitaire Research Support Services (bij ons het Grant Office) die een grote rol krijgen in het reduceren en reguleren van de stroom aanvragen en bij moeten dragen aan kwaliteitsverhoging, 2) vormen van quotering en voorselectie binnen de universiteiten, en 3) het opleggen van een tijdstraf voor indieners van minder goed scorende voorstellen.

Obstacle run

Van de veronderstelde focus op het indienen van veel voorstellen, ten koste van de kwaliteit, durf ik te stellen: dat is gewoon niet zo. Veel voorstellen zijn gewoon zeer goed of nog beter. Voor de vele onderzoekers die er een gewoonte van maken om zeer goede of nog betere voorstellen in te dienen, leveren alle extra inspanningen om uiteindelijk een kwalitatief nog hoogstaander voorstel in te dienen alleen maar meer werkdruk op. En het wordt nog drukker aan de top van de scorelijstjes van de beoordelingscommissies. Aan de obstacle run die het krijgen van onderzoeksgeld voegt het plan een aantal hindernissen toe, in de vorm van interne overlegcircuits, regulerende grant offices en selectiecommissies die onder aanvoering van Vicedecanen Onderzoek het kaf van het koren moeten scheiden.  Dergelijke maatregelen vallen voor mij in de categorie: moeilijk gedoe dat niet gaat helpen maar wel onze agenda’s vult, en mogelijk de collegiale verhoudingen aanvreet.

Maakt eenvoud een kans?

Wat zijn de kansen van conceptueel eenvoudige, meer rechtstreekse oplossingen? Substantieel meer geld gaat er voorlopig niet komen. De minister balkt wel ‘één miljard euro’ maar ze is geen ezeltje strekje. Ze is verbaal royaal met het geld dat het volgende kabinet er misschien voor uittrekt.

Vermindering van het aantal onderzoekers dat meedingt naar onderzoeksgeld zit er voorlopig ook niet in. Dat geldt ook voor vermindering van de hoeveelheid onderwijs per onderzoeker. De huidige investeringen (Sectorplannen beta-techniek) en financiële herverdelingen (Van Rijn) landen niet waar de werkdruk vanuit het onderwijs het hoogst is. Wel zullen door deze investeringen meer onderzoekers zich de komende jaren in dezelfde strijd om schaars onderzoeksgeld gaan storten. Dat leidt tot meer werkdruk, en dat wordt in het plan ook gesignaleerd.

Hebben we al die gepromoveerden wel nodig?

Je zou ook minder onderzoek kunnen vragen van onderzoekers. Dit is heel goed mogelijk. Waarom zou iedere voltijdsonderzoeker altijd 4-5 promovendi moeten hebben? Ook met 2-3 promovendi kan je leuk onderzoek doen, en dat is een aantal dat je goed kunt begeleiden binnen een normale werkweek.

Het jaarlijkse aantal promoties is sinds 2000 ongeveer verdubbeld, terwijl het aantal universitaire onderzoekers in deze periode slechts met 30% is toegenomen. Die groei is waarschijnlijk inclusief het toegenomen aantal promovendi. Hebben we wel zoveel gepromoveerden nodig? Een belangrijke factor is de promotiepremie. Is die premie een noodzakelijke stimulans om de wetenschappers op te leiden die we als maatschappij nodig hebben, of is het een perverse prikkel die zorgt voor een onbalans in onderzoeksgroepen en voor doctorstitels voor wie dat eigenlijk niet verdienen? Feit is, dat als het geld dat nu gemoeid is met de promotiepremies gewoon zonder meer naar de universiteiten zou gaan, we daar heel wat promovendi van zouden kunnen aanstellen met minder competitie.

Minder competitie!

Minder competitie dan? De angel zit hem in de lage kans op honorering van onderzoeksvoorstellen. We zijn gewend geraakt aan een kans van 10%. Een kans van 30% wordt al bejubeld, maar zelfs dan worden veel als ‘zeer goed’ beoordeelde onderzoeksvoorstellen afgewezen. Het is vaak tevergeefs zwoegen, zoals ik onlangs bij wijze van zelfhulp schreef. Voor het verminderen van de competitie mist het plan een eenvoudige en rechtstreekse oplossing, namelijk: afstappen van competitie als dominant principe, door meer geld rechtstreeks aan de universiteiten toe te kennen. Nu verscheen tijdens het schrijven van dit stuk – het is voor een deeltijdblogger niet meer bij te houden – het KNAW-rapport Evenwicht in het wetenschapssysteem. Dat bevat het voorstel om een laagcompetitief systeem van rolling grants te organiseren dat onderzoekers van een permanent basisfinanciering moet voorzien. Het is een uitstekend voorstel, ook al wordt het gekoppeld aan de één miljard euro die er nog niet is, in plaats van het huidige geldstromen om te buigen. Het is goed dat we het dogma van de onmisbare competitie om onderzoeksgeld loslaten. Er is geen bewijs dat de wetenschap hier beter van wordt, aanwijzingen voor het tegendeel zijn er wel.