Een impact-gedreven ‘vierde generatie universiteit’, die ondernemend, ‘high tech, human touch’ is en opereert als ‘Team UT’. Het komt allemaal voorbij in het (concept-)instellingsplan.
Het document grijpt terug op eerdere beleidskeuzes: die voor vier impactdomeinen, die voor leven lang ontwikkelen als vierde pijler, de onderwijsvisie, het flexibeler maken van het Twents Onderwijs Model, de erkennen en waarderen-beweging… En ja, ook de notie van die vierde generatie universiteit werd al lang en breed doorgeschemerd de afgelopen jaren. Nooit roepend vanaf de zeepkist. Wel tussen de regels door.
In het daadwerkelijke instellingsplan wordt mondjesmaat duidelijker wat de bedoeling is. Een soort één-team-één-taakgedachte: we treden als één universiteit naar buiten, teamwork is belangrijk in een gezondere cultuur waarin we de manier van werken ‘harmoniseren’, met duidelijkere afspraken – tot facultair niveau aan toe. De intentie daarachter legde rector Tom Veldkamp duidelijker uit dan het plan zelf.
Het document struikelt met name over haar bloedeigen definitie: het voldoet niet aan de voorwaarden van een plan. Dat is uiteindelijk – alle definities naast elkaar gelegd – een ‘doordachte beschrijving van wat je wil bereiken en hoe je dat gaat doen’. Nu is die doordachte beschrijving niet zozeer het probleem. Wel het stukje ‘hoe je dat gaat doen’. Dit document laat nagenoeg volledig doel en middelen onbenoemd.
Want hoe we zo’n ‘vierde generatie universiteit’ moeten worden, wordt niet bijzonder duidelijk. Dat zo’n volgende-generatie-universiteit impact wil maken samen met de maatschappij, oké. Maar hoe zie je dat voor je? En wat is impact in de ogen van deze universiteit, behalve de subjectieve term die het per definitie is? En zou je vervolgens niet al kunnen stellen dat de meeste UT’ers hier in meer of mindere mate al aan voldoen?
Los van semantische discussies over jeuktermen als ‘Team UT’ en holle frasen als ‘We bieden een studie- en werkomgeving met aandacht voor ontwikkeling, erkenning en waardering’, is het grote manco aan dit plan dat het bewust-onbewust geen richting kiest. En zich comfortabel aan die onbewogenheid lijkt te committeren. Verwachtingen van en richting de organisatie zijn eerder impliciet dan expliciet en het taalgebruik is ontwijkend, pompeus en ambigu.
Het doet de vraag rijzen waar dit instellingsplan precies een functie heeft. De eerdere belofte om de universiteit ‘wendbaarder en weerbaarder’ te maken, die komt slechts met een paar grove penseelstreken terug. Vaag, concludeerde de universiteitsraad vorige week. Maar je kan ook concluderen: in dit plan probeert de universiteit aan zoveel smaken te voldoen dat het zelf weigert een smaak te kiezen.
Dat is ergens ook logisch. Het is geen afgebakend project. En zo’n beleidsdocument is er niet voor de massa. Het is het kleurrijke snoeppapiertje om de bonbon heen. Nooit datgene dat smaak geeft, maar er wel is voor de (bestuurlijke) opsmuk. Elke universiteit heeft zo’n plan, actualiseert ‘m van tijd tot tijd en spreekt over grote uitdagingen en impact maken. Let je ondertussen op de wetmatigheden en elke universiteit doet niet veel anders dan tijdens de voorafgaande bombastische beleidsstukken: de wettelijk vastgelegde kerntaken, aangevuld met een paar lokale accenten.
Dan is het hopen dat het hogere management door de spreekwoordelijke oogharen heen duidelijk heeft wat dit plan wél moet belichamen. Dat aan de vergadertafels meer is uitgesproken en geluisterd dan wat er in het document is opgeschreven. Want als je schrijft dat je een cultuur wil hebben van ‘correct en helder uitspreken van verwachtingen, het maken van afspraken met elkaar’, dan is het bijzonder dat ditzelfde document weigert heldere verwachtingen uit te spreken.
Met andere woorden: wil je dat mensen je volgen, dan moet je wel een weg inslaan en mensen meenemen op die weg. Zonder de juiste woorden, vraag je om een gebrek aan daden.
Wat uiteindelijk rest, is de vraag: hoe moet dit document richting geven, als het zelf geen richting kiest?