Photo by: RIKKERT HARINK
Spotlight

‘Het aha-moment, daar doe ik het voor’

| Rik Visschedijk

Hoe werkt het leven om ons heen? Die vraag is al van jongs af aan de inspiratiebron voor het onderzoek van Mireille Claessens. Vandaag spreekt de hoogleraar Nanobiophysics haar oratie uit in de Waaier.

‘Mijn drijfveer is weten hoe het echt zit’, zegt Claessens. ‘Dat merkte ik al op de basisschool, waar we een documentatiecentrum hadden. Wat rijen informatieboekjes, dia’s, een miniplanetarium, opgezette dieren en een paar anatomische modellen stonden er. Het stelde achteraf niet zo veel voor, maar het was een wereld van kennis. Ik herinner me het nog levendig: in een project over fossielen zag ik voor het eerst hoe je de continenten als een puzzel in elkaar kunt schuiven, als brokstukken van één supercontinent. Het aha-moment dat ik toen had, daar doe ik het nog steeds voor als onderzoeker.’

Parkinson

Claesens’ nieuwsgierigheid leidde tot het onderzoek naar de hersenziekteziekte Parkinson dat ze vandaag de dag doet met haar vakgroep. Voor een groot deel nog onontgonnen terrein. 'We weten nog heel veel niet over de moleculaire mechanismen achter de aandoening. Je kunt een lichaamscel zien als een zak moleculen die zichzelf organiseert en al het leven mogelijk maakt’, legt Claessens uit. ‘Wij doen onderzoek naar de eiwitten. Dat zijn de werkpaarden van de cel: ze voeren de meeste taken uit. Eiwit vouwt zich op, zodat het een specifieke functie kan uitoefenen.’

Vervolgt: ‘Maar soms vouwt een eiwit zich níet op en is toch functioneel. Het eiwit dat bij Parkinson samenklontert, is zo’n ongestructureerd eiwit, zoals we het noemen. En daar zit een zwart gat in onze kennis, want we weten niet wat dit eiwit normaal precies doet. Het heeft waarschijnlijk meerdere functies door interacties met andere cel-componenten waardoor het moeilijk is om een fout te herstellen.’

Bezig met het hoe

Haar onderzoek is fundamenteel. Vraag Claessens niet naar een termijn waarop Parkinson genezen kan worden. ‘Wij houden ons bezig met het hoe’, zegt ze. ‘Het is mooi als daar een toepassing uit rolt, maar dat is niet onze insteek. Mijn academische weg liep niet direct naar Parkinson-onderzoek. Het kwam zo op mijn pad, omdat het fundamenteel onderzoek is.’

Toch ‘leeft’ haar fundamentele onderzoek, zoals ze het zegt. ‘Het antwoord van de wetenschap ligt niet altijd in de toepassingen. Kennis is nooit af, we bouwen verder op het werk van anderen. We doen dat samen met studenten, dat is het unieke en bijzondere van een universiteit. En mijn vakgebied is multidisciplinair, het ligt op het snijvlak van natuurkunde, scheikunde en biologie. Mijn collega’s brengen hun eigen kennis mee en dat helpt ons de wereld beter te begrijpen.’

‘Het geeft een kick als je de eerste bent die resultaat boekt en publiceert’

De wetenschap was voor Claessens een logische stap. Ze begon 26 jaar geleden met de studie moleculaire wetenschappen in Wageningen, een opleiding waar het heel normaal was om door te gaan als PhD-student. ‘Dat paste bij mijn onderzoekende en nieuwsgierige aard’, zegt ze. ‘Dat heb ik nog steeds. Ik geef nu leiding aan een vakgroep en kom bijna niet meer in het lab. Maar als de tijd er is, ga ik graag met data aan de gang. En stiekem ben ik er best trots op dat ik aan bijna alle proefschriften die ik begeleidde, een figuur heb bijgedragen.’

De hoogleraar heeft een realistisch beeld van de wetenschap. Ze gelooft niet zozeer in plotselinge paradigmawisselingen, maar vooral in ‘graduele veranderingen’. ‘De originaliteit zit vaak in de kennis die het ene domein in een ander brengt’, zegt ze. ‘Wetenschap is voor mij meer dan literatuur bestuderen en daar iets bovenop plaatsen. Ik geloof in interdisciplinair onderzoek en slimme verbindingen leggen. En ja, het geeft een kick als je dan de eerste bent die resultaat boekt en publiceert over het onderwerp.’

Westerdijk

Claessens is een van de vier zogenoemde ‘Westerdijk-hoogleraren’ op de UT, het initiatief van toenmalig minister Bussemaker om extra vrouwelijke hoogleraren aan te stellen. Maar de onderzoeker denkt dat haar promotie er ‘wel aan zat te komen’, ook zonder deze impuls. Het aantal vrouwelijk hoogleraren gaat haar aan het hart, maar Claessens denkt niet dat deze campagne de oplossing is.

‘Ik sta een beetje dubbel in die discussie’, zegt Claessens. ‘Natuurlijk vind ik dat je moet streven naar een evenwichtige man-vrouwverhouding . Tegelijk is het percentage vrouwelijke hoogleraren best logisch als je het projecteert op de situatie twintig jaar geleden. Toen was het aantal vrouwen dat aan een PhD begon zo ongeveer gelijk aan het percentage hoogleraren nu.’

Als je het aantal vrouwelijke hoogleraren in de techniek wilt opkrikken, dan moet je bij de basis beginnen, zegt Claessens. ‘Meisjes op de basisschool interesseren voor bètavakken. Daar is de winst te halen. Als we vandaag extra vrouwelijke hoogleraren uit de universitair docenten- en hoofddocenten-poule halen, dan betaal je daar de komende vijf jaar de prijs voor. Het probleem zit in de pijplijn. Laat meisjes zien en ervaren hoe mooi techniek is en het probleem lost zichzelf op.’