Het Wilhelmus en onze rituelen

| Edwin Zondervan

In zijn maandelijkse column schrijft hoogleraar Edwin Zondervan over hoe hij middenin coronatijd een luidspreker buiten zette en het Wilhelmus afspeelde. Omdat hij donderdag beëdigd wordt als militair schrijft hij over onze rituelen, ook op de universiteit.

Photo by: RIKKERT HARINK

Tijdens corona, in 2020, liet ik stiekem het Wilhelmus over Eindhoven schallen.

Het was een warme avond. Nederland zat thuis. In mijn appartementencomplex zat iedereen op zijn eigen balkon: dicht bij elkaar en tegelijkertijd volledig van elkaar gescheiden. Ik zette een luidspreker buiten en speelde het Wilhelmus, de versie van André Rieu.

Niemand kon zien waar de muziek vandaan kwam.

Dat maakte het interessant. De eerste maten klonken tussen de gebouwen en mensen begonnen te reageren. Ze keken op. Sommigen stonden op. Mensen zochten naar de bron van de muziek. Een paar minuten lang gebeurde er iets merkwaardigs: al die afzonderlijke balkons leken ineens bij elkaar te horen.

Ik zat ondertussen tamelijk onschuldig naast mijn luidspreker.

Over columnist Edwin Zondervan

Edwin Zondervan is hoogleraar Process Systems Engineering aan de Universiteit Twente, en speelt graag een potje rugby met zijn studenten. Hij schrijft een maandelijkse column over de dynamiek van systemen, wetenschap, onderwijs en samenwerking. Maar ook over de zin en onzin van het academische.

Donderdag hoor ik het Wilhelmus opnieuw. Maar deze keer kan ik me niet verstoppen. Ik word beëdigd als militair bij de Genie. Er staat een fanfare, er zullen commando's klinken en ergens tijdens die ceremonie zullen de eerste maten van het volkslied worden ingezet. Ditmaal sta ik niet op een balkon naar anderen te kijken. Ditmaal sta ik zelf aangetreden.

Ik ben benieuwd wat dat met me doet.

Het Wilhelmus is eigenlijk een merkwaardig volkslied. Het is nauwelijks een overwinningslied. Het gaat over iemand die worstelt met trouw, gezag, geweten en verantwoordelijkheid. En middenin het eerste couplet staat een regel die we zo vaak hebben gehoord dat we bijna vergeten hoe zwaar hij is:

‘Den vaderland getrouwe blijf ik tot in den dood.’

Woorden als trouw, vaderland en dienen klinken in onze tijd misschien wat ouderwets. Zeker op een universiteit. Wij spreken liever over autonomie, talent, ontwikkeling, excellentie en individuele keuzes. Allemaal belangrijke zaken.

Maar waaraan zijn wij eigenlijk trouw?

Een universiteit is meer dan een verzameling individuen die toevallig dezelfde campus delen. Althans, dat zou ze moeten zijn. We behoren tot een academische gemeenschap. We dragen kennis over die anderen vóór ons hebben opgebouwd. We leiden studenten op die ná ons verdergaan. We verdedigen principes als wetenschappelijke integriteit, vrijheid van onderzoek en de bereidheid om een ongemakkelijke vraag toch te stellen.

Ook dat is dienen.

Misschien hebben we daarom rituelen nodig. Niet omdat een toga, een bul, een vaandel, een fanfare of een volkslied op zichzelf iets magisch bezit. Maar omdat een ritueel ons dwingt om even stil te staan bij iets wat in het dagelijks leven gemakkelijk verdwijnt tussen e-mails, vergaderingen en deadlines.

Waar hoor ik bij? Wat heb ik ontvangen? Wat wil ik doorgeven? En waarvoor ben ik bereid te gaan staan?

Jaren geleden drukte ik op een warme avond in Eindhoven op play. Mensen kwamen op hun balkons overeind en vroegen zich af waar dat Wilhelmus vandaan kwam.

Donderdag hoef ik niet te zoeken naar de bron.

Dan sta ik er middenin.

Misschien hebben we niet minder rituelen nodig. Misschien moeten we alleen weer weten waarvoor we gaan staan.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.