Chemische technologie heeft een imagoprobleem. Dat is geen mening, maar een observatie die je overal terugziet; van middelbare scholieren tot publieke discussies. En het is een ongemakkelijke constatering, terwijl ons onderwijs enige tijd geleden nog is bekroond met de Nederlandse Onderwijspremie.
De prijs van 1,2 miljoen euro voor CLEAR (Chemistry Learning for Environmental Action and Responsibility) is een indrukwekkende erkenning. Het programma laat zien dat we bij de Universiteit Twente in staat zijn om onderwijs opnieuw te ontwerpen: minder versnipperd, meer integraal, en met duurzaamheid als vertrekpunt in plaats van als bijzaak.
Maar het succes van CLEAR legt tegelijkertijd iets bloot waar we het als discipline zelden hardop over hebben. Het imagoprobleem van chemische technologie. Zeg ‘chemie’ of ‘chemische technologie’ tegen een willekeurige buitenstaander, en de associaties zijn zelden neutraal. Men denkt aan rookpluimen, raffinaderijen, plastic afval, PFAS, vervuilde rivieren. Aan een industrie die grootschalig produceert, maar ook grootschalig belast.
Dat beeld is hardnekkig en niet uit de lucht komen vallen. Onze discipline is historisch nauw verweven met de (petro)chemische industrie. We hebben bijgedragen aan processen die efficiëntie en schaal mogelijk maakten, maar ook aan systemen die een ecologische prijs hebben gehad. In die zin werken we, samen met de industrie waarin onze afgestudeerden terechtkomen, zelf mee aan het ontstaan van dit ‘stained image’.
Wat te weinig wordt gezien, is dat precies diezelfde discipline ook aan de basis staat van oplossingen. De zuivering van drinkwater. De productie van medicijnen. De ontwikkeling van duurzame materialen. De optimalisatie van voedselprocessen. De energietransitie zelf.
En toch komt dat verhaal onvoldoende over. Dat zie je het duidelijkst bij de instroom van studenten. Hoewel er volop werkgelegenheid is en de maatschappelijke relevantie groter dan ooit, kiezen steeds minder middelbare scholieren voor een studie in de scheikunde of chemische technologie. Docenten herkennen het beeld: leerlingen zien het vak als ‘vies’ of ‘achterhaald’, of simpelweg als iets waar ze zich moeilijk een positieve toekomst bij kunnen voorstellen.
Dat is niet alleen een onderwijsprobleem. Dat is een betekenisprobleem. Ik merk dat ook buiten de collegezaal. Op het rugbyveld, waar ik regelmatig met studenten speel, is het spel meteen duidelijk: je ziet wie de bal draagt, wie ruimte maakt, wie verdedigt. De rollen zijn zichtbaar, de impact is direct. Niemand twijfelt aan het nut van een goede pass of een slimme looplijn.
In ons vak is dat anders. Wij spelen ook een teamsport, alleen is het veld groter, de tijdschaal langer, en de effecten minder direct zichtbaar. Onze ‘passes’ zijn procesontwerpen, onze ‘tries’ zijn werkende installaties, vaak jaren nadat het ontwerp is gemaakt. Voor buitenstaanders is het spel daardoor moeilijker te lezen.
En wat je niet begrijpt, daar vorm je sneller een simplistisch beeld van. We leren studenten – en daarvoor al scholieren – hoe systemen werken, maar minder goed waarom ze ertoe doen. We presenteren ons vak in termen van vergelijkingen, reactoren en processen, maar zelden als onderdeel van grotere maatschappelijke verhalen.
In dat vacuüm ontstaat een eenzijdig beeld. In dat licht krijgt CLEAR een bredere betekenis. Het is niet alleen een onderwijsinnovatie, maar ook een poging om die kloof te dichten. Door systeemdenken centraal te stellen, worden studenten gedwongen om verder te kijken dan het apparaat of de balans. Ze leren verbanden zien, tussen technologie en maatschappij, tussen ontwerp en impact.
Dat is essentieel. Niet alleen voor betere ingenieurs, maar ook voor een beter begrepen discipline.
Een curriculumwijziging alleen gaat het beeld van chemische technologie niet veranderen. Zolang wij als vakgebied blijven communiceren in de taal van optimalisatie zonder context, zullen anderen het invullen met de beelden die ze al hebben. En hier ligt ook een enorme verantwoordelijkheid voor de industrie, die wel moreel wil meedoen, maar die vaak, veel te weinig concrete, tastbare steun verleent.
Het beeld van ons vak wordt in belangrijke mate gevormd door wat zichtbaar is: fabrieken, emissies, incidenten, maar zelden de innovaties, de verbeteringen, de transities die gaande zijn. Als die verhalen niet actief worden gedeeld, blijft het verleden het dominante referentiepunt. De uitdaging is dus breder dan het onderwijs alleen.
De prijs voor CLEAR markeert daarmee niet alleen een succes, maar ook een richting. De vraag is of we die beweging ook durven door te trekken, in het onderwijs, in de industrie, en in hoe we ons vak zichtbaar maken voor de buitenwereld. Want uiteindelijk bepaalt niet alleen wat we doen de toekomst van ons vak, maar ook wie het spel begrijpt en besluit mee te spelen.