De Olympische Winterspelen in Italië zijn inmiddels voorbij. Ik heb er vol spanning naar zitten kijken in de afgelopen weken. Nederland won in totaal twintig medailles! Een prachtig eindresultaat. Maar wie eerlijk is, herinnert zich ook de eerste dag. Die viel tegen. Teleurstelling. Twijfel. Analyses die meteen groter werden dan het moment.
En toen kantelde het. Zeker bij het schaatsen, vooral bij de dames ging het indrukwekkend goed. Jutta won! Er volgde een explosie aan media-aandacht. Bewondering, nationale trots, maar ook kritiek en persoonlijke discussies. Topsport is geen sprookje. Het is presteren onder vergrootglas.
Bij de openingsceremonie werd de olympische vlag binnengedragen. Vijf ringen, vijf kleuren, een symbool van verbondenheid. Toen de olympische hymne klonk en de vlag werd gehesen, voelde ik iets wat we in het dagelijks debat niet zo vaak ervaren: gedeelde waardigheid. Even geen wij-zij, maar een gezamenlijk ritueel. Maar harmonie is geen stilstaand ideaal. Het is iets wat je moet vasthouden wanneer het schuurt.
Misschien raakte de Spelen me dit keer daarom meer dan ik had verwacht. Omdat ze een herkenbaar patroon lieten zien: verwachtingen, tegenslag, herstel, succes. Niet lineair, niet vlekkeloos, maar veerkrachtig.
En ja, ik kan het niet laten om de parallel met onze universiteit te trekken.
Ook bij ons zijn er ‘eerste dagen’ die tegenvallen. Een grote subsidie die net niet wordt toegekend. Een faculteit die moet bezuinigen. Discussies over werkdruk. Kritische berichten over internationalisering of financiering. Rankings die dalen of juist obsessief worden gevolgd. De reflex is dan snel organisatorisch: nieuwe structuren, nieuwe plannen, nieuwe KPI’s.
Maar net als in de sport ligt de kern niet in het direct herschrijven van het systeem, maar in het versterken ervan. Investeren in teams die elkaar vertrouwen. Jonge onderzoekers ruimte geven om te groeien. Docenten waarderen die het fundament leggen onder toekomstige prestaties. Interdisciplinair samenwerken niet alleen als slogan gebruiken, maar als dagelijkse praktijk organiseren.
Wat me tijdens de Spelen vooral opviel, was de rust na die eerste tegenvaller. Er werd niet geroepen dat het model failliet was. Er werd gewerkt. Getraind. Gefocust. En uiteindelijk geoogst.
Dat is misschien de scherpste les voor ons. Een universiteit is geen medaillefabriek, maar wel een ecosysteem waarin prestaties zichtbaar zijn en falen publiek kan zijn. Als we bij elke tegenwind direct in paniekstructuren vervallen, ondermijnen we onze eigen veerkracht.
Twintig medailles zijn prachtig. Maar belangrijker vind ik het proces ernaartoe. Harmonie is geen ceremonieel moment met vlaggen en muziek. Harmonie is het vermogen om, onder druk, samen koers te houden.
Dat vraagt van ons minder nervositeit en meer vertrouwen. Minder korte-termijnreacties en meer lange adem… dat vraagt karakter.