Het is begin februari en er verschijnt een mailtje in mijn inbox. Van de Europese Commissie nog wel. Snel kijken. Zoals ik op LinkedIn zou schrijven: ‘Ik ben ontzettend verheugd om aan te kondigen dat… ik alweer een afkeuring van een aanvraag voor onderzoeksgeld te pakken heb!’
Net als talloze andere wetenschappers op de UT en in de rest van Europa, is dit de jammere werkelijkheid: vele maanden aan noeste arbeid worden aan de lopende band tenietgedaan. Zoals Mark Oude Alink recentelijk schreef in zijn column is dit een van de grootste frustraties van de academicus. Moeten er, zoals hij voorstelde, dan gewoon minder wetenschappers zijn om de krankzinnige competitie voor onderzoeksgeld te stoppen?
Misschien. Maar ik denk dat er ook een andere oplossing is, die zich richt op de verdeling van het onderzoeksgeld. Waar zich volgens mij de namelijk de schoen wringt is de gemene deler van bijna alle verdelingslogica: het project.
Vrijwel alle beurzen voor onderzoek worden verdeeld aan de hand van competities waarbij het beste project zou moeten winnen. Dit gold ook voor de ‘call’ waarvoor ik een voorstel had geschreven. 45 projecten hadden zich aangemeld, drie werden er uiteindelijk gefinancierd.
Mijn call valt daarmee waarschijnlijk binnen de ‘point of no return,’ zoals Gerald Schweiger schrijft in Nature. Dit is het punt waarbij er meer geld wordt gestoken in het aanvragen en beoordelen van een project dan dat er daadwerkelijk aan het project wordt uitgekeerd. Het schrijven van een voorstel kost namelijk al vele maanden werk (verdeeld onder partners in een consortium) en het organiseren van reviews kost de Europese Commissie miljoenen euro’s per jaar.
'Er is een heus digitaal kerkhof op het internet met projectresultaten die de levensduur van het project niet zijn ontstegen' - Wessel Reijers
En dit is niet het enige probleem met projectfinanciering. Omdat projecten vaak maar voor een beperkte tijd lopen (vaak drie of vier jaar binnen de ‘Pillar II’-projecten in Horizon Europe), zorgen ze voor veel tijdelijk werk. Een postdoc hier in Nederland, een postdoc daar in Spanje, vaak voor twee of drie jaar. Dit verergert het bestaande probleem van precaire arbeid, met als gevolg dat jonge wetenschappers belangrijke levenskeuzes – zoals het krijgen van kinderen – vaak uitstellen.
Dan speelt er nog een minder belicht probleem dat misschien wel het belangrijkste is: het gebrek aan duurzaamheid. Europese projecten staan erom bekend te leiden tot een litanie aan ‘deliverables’ die ergens op een website terechtkomen en nooit worden gelezen. Er is een heus digitaal kerkhof op het internet met projectresultaten die de levensduur van het project niet zijn ontstegen. Dit is niet alleen een verspilling van onderzoeksgeld, maar tast ook direct de positie van Europe aan als leider in innovatie. Veel innovaties die uit projecten zouden moeten worden gerealiseerd, zoals open source-software, blijven uiteindelijk steken in de projectfase en sterven bij het uitblijven van follow-up-financiering.
Het competitieve project is zo vaak – onbedoeld – de doodsteek voor vooruitstrevend en duurzaam onderzoek. Daarom: weg met het project!
We moeten een weg terugvinden naar een verdeling van onderzoeksgeld op de basis van continuïteit. Dit idee heb ik onlangs met een aantal collega’s opgepakt, wat leidde tot een voorstel voor ‘continuity funding’.
Wat houdt dit in? In een notendop: het is financiering van onderzoeks- en innovatie netwerken die in principe niet verloopt.
Continuity funding begint met een internationale groep jonge wetenschappers die samen willen werken aan een bepaald thema. Deze groep schrijft een voorstel. Tot dusver lijkt het nog op een consortium dat samenkomt om aan een project te werken, zoals het geval is bij Horizon Europe financiering.
Hierna is continuity funding echter fundamenteel anders. Het voorstel is gebaseerd op het onderzoeksthema, maar ook op de cv’s en onderzoeksagenda’s van de deelnemers, om meeliftgedrag te voorkomen. Zodra het voorstel en de individuele deelnemers worden goedgekeurd door middel van een wetenschappelijke beoordelingen krijgt het netwerk financiering.
En nu komt het: die financiering verloopt in principe niet! Een netwerk van wetenschappers krijgt simpelweg een jaarlijks budget, van bijvoorbeeld een miljoen euro.
'Continuity funding is misschien geen silver bullet, maar alles is beter de verspilling van geld en tijd in het huidige financieringsmodel' - Wessel Reijers
Dit model lost in één klap de bovengenoemde problemen op. Doordat netwerken doorlopend gefinancierd worden, ligt er veel minder druk op het schrijven en beoordelen van nieuwe voorstellen. Wetenschappers krijgen baanzekerheid zodra ze deelnemen aan een netwerk. En onderzoeks- en innovatietrajecten worden duurzaam. Zo kunnen langlopende initiatieven, zoals die voor open source-software, worden onderhouden en uitgebouwd.
Nu moet ook continuity funding natuurlijk ruimte bieden voor vernieuwing. Het idee hiervoor is dat zodra een deelnemer in een netwerk een vaste positie krijgt, er plaats wordt gemaakt voor een nieuw iemand. Dit kan worden gestimuleerd door instituties een deel van de financiering uit te betalen voor salarissen, terwijl een deel wordt achtergehouden in een fonds voor de carrièreontwikkeling van een wetenschapper. Dit geld wordt alleen uitgekeerd zodra een arbeidscontract permanent wordt.
Ik ben overtuigd van de noodzaak van dit model van onderzoeks- en innovatiefinanciering. Dit maakt continuity funding geen silver bullet, maar alles is beter de verspilling van geld en tijd in het huidige financieringsmodel.
Met continuity funding schrijven wetenschappers misschien snel op hun LinkedIn-profiel: ‘Ik ben verheugd te vermelden dat ik eindelijk weer al mijn tijd in onderzoek en onderwijs kan stoppen!’
Wessel Reijers, UT-alumnus en postdoc aan de Universiteit van Paderborn (Duitsland)