Mijn goede voornemen voor 2026 is om eens lekker vakantie te vieren en een paar weken helemaal niks aan het werk doen. De afgelopen kerstperiode was namelijk heerlijk rustig; ik was afgevallen in de race voor het binnenhalen van een onderzoekssubsidie.
Dat was afgelopen zomer wel anders. Toen ploeterde ik weken door om de deadline te halen van een Europese call voor subsidieprojecten. De bureaucraten zullen wel denken: we plannen de deadline aan het einde van de vakantie, dan kunnen zij mooi schrijven en wij naar de zon!
Je ziet het helemaal voor je: bruingebrand bij terugkomst openen ze rustig hun mailbox, om met een dampend kopje koffie en de voeten op het bureau direct een deel van het harde werk af te wijzen op vormfouten. Had je maar je naam dikgedrukt moeten maken in de referentielijst. De resterende voorstellen worden rondgestuurd naar collega-wetenschappers voor een beoordeling. Met nog roodomrande ogen van hun eigen inspanning accepteren ze die uitnodiging uit piëteit met de lotgenoten. Uiteraard gebeurt dit reviewen in het weekend; er zijn weer onderwijsverplichtingen en studenten willen ook aandacht.
Half december kreeg ik het nieuws: ik mocht niet door voor de koelkast. Weer twee maanden inspanning weggegooid. De gelukkigen moesten op 5 januari een langere versie inleveren, met meer technische details, een hele papierwinkel over datamanagement, maatregelen om voldoende sociale impact te creëren, en ethische verantwoording over het geplande aannamebeleid. Geen kerstvakantie voor deze uitverkorenen.
Uiteindelijk krijgt slechts zo’n tien procent de zo vurig gewenste onderzoekssubsidie, het levensbloed van de wetenschapper om zijn eigenlijke werk te kunnen doen. De andere negentig procent begint weer helemaal opnieuw. Dan vraag je je toch af: is er te weinig onderzoeksgeld of zijn er te veel wetenschappers? Met een kabinet dat zo vol inzet op innovatie, moet het wel zo zijn dat we voldoende geld in onderzoek stoppen. Er kan dus maar één conclusie zijn: er zijn te veel wetenschappers! Deels lost dat probleem zichzelf op, zoals sommige faculteiten kunnen beamen, maar of dat nou de manier is?
Ik heb een beter idee: laten we de ratio wetenschapper/docent gewoon een beetje aanpassen. Vrijwel al het bacheloronderwijs is basiskennis. Ook het merendeel van de mastervakken komt rechtstreeks uit een tekstboek en heeft slechts zijdelings te maken met vooruitstrevend onderzoek. Waarom moet onderwijs gegeven worden door wetenschappers die juist erg goed zijn in onderzoek en daar hun passie in vinden? Mensen voor wie het onderwijs misschien een 'moetje' is?
Waarom hoort het geven van onderwijs eigenlijk per definitie bij het leven als wetenschapper? Er zijn meer mensen die een vak kunnen onderwijzen, dan die dat baanbrekende onderzoek kunnen uitvoeren. Waarom wordt het merendeel van het onderwijs op de UT niet gewoon door docenten gegeven, voor wie onderwijs geven hún roeping is? Je boort een nieuwe groep aan, die niet zit te wachten op het doen van onderzoek, maar wel graag les wil geven, en vice versa. Minder wetenschappers die uit dezelfde subsidieruif moeten eten betekent veel minder tijdverspilling (en dus ook geldverspilling) in het schrijven en het reviewen van onderzoeksvoorstellen. Meer tijd voor het dóen van onderzoek en voor het creëren van innovatie. Win-win.
Weg met al die wetenschappers! En over zes maanden lekker zomervakantie.