‘Met wat pech is de wetenschap helemaal niet romantisch’

| Derek Jan Fikkers

Derek Jan Fikkers, directeur Strategie & Beleid, blogt voor U-Today over zijn sabbatical. Hij reist samen met zijn gezin in een camper door verschillende landen. Vandaag deel drie: over ‘Nooit meer slapen’ en de valkuilen van promotietrajecten.

Photo by: RIKKERT HARINK

De afgelopen weken trokken we langs de meest noordelijke fjorden, langs plaatsen als Alta, Honningsvåg en Russenes, en rivieren als de Lievnasjokka en de Rivo-elv. Dat is niet alleen het land van de trollen en het noorderlicht; het is ook het land van ‘Nooit Meer Slapen’ van W.F. Hermans. De eerste keer dat ik het las, was tijdens mijn PhD. Het boek werd mij aangeraden door UT-collega’s Gert-Jan Hospers en wijlen Paul Benneworth, met de enigszins dwingende aanbeveling dat ‘eigenlijk elke promovendus dit boek zou moeten lezen’. De hoofdpersoon Alfred Issendorf is een 25-jarige geograaf die net aan zijn proefschrift is begonnen. Alfred gaat veldwerk doen in het gebied waar wij nu rondreizen: het noordelijkste deel van Noors Lapland. Alfred heeft duidelijke ambities: zo snel mogelijk hoogleraar worden.

Destijds las ik het boek dus door de bril van een 25-jarige promovendus, en herkende me vooral in de Alfreds ambities, de romantiek van het veldwerk, de vereenzelviging met het onderzoek en de constante onzekerheid over onderzoeksresultaten. Maar een andere les die ik trok uit het boek was dat de romantiek van de wetenschap met wat pech ook een valse kan zijn.

De tweede keer dat ik het las was vorige week, zelf inmiddels een krappe twintig jaar ouder.  Ik zag nu vooral heel andere zaken. Alfreds motieven om te gaan promoveren waren erg zwak. Dat Alfreds promotor de internationale risee van de geografie was, had Alfred (net afgestudeerd, nog nat achter de oren) helaas niet door. Dat de hypothesen van zijn promotor reeds talloze malen gefalsificeerd waren ook niet. Gedurende zijn veldwerk vlak onder de Noordkaap komt Alfred achter zijn naïviteit. Een collega sterft, en Alfred overleeft de expeditie ternauwernood. Maar Alfred is voor altijd verloren voor de wetenschap.

Het boek gaat na herlezing vooral over de minder mooie kanten van de wetenschap: kinnesinne tussen hoogleraren die bijna met emeritaat zijn, methodologische naïviteit van jonge onderzoekers, academic overstretch, hypercompetitie tussen groepen, schaarste van goede data, en meedogenloze geldingsdrift van individuele onderzoekers.

‘Nooit meer Slapen’ is uit 1966. Voor promovendi is er sindsdien gelukkig veel verbeterd. Vooral de komst van de graduate schools zijn daarin sinds 2000 erg belangrijk geweest. Maar er zijn ook zaken die nog veel beter kunnen. Als je het boek weer eens leest, weet je wat ik bedoel. Ter illustratie: ook in 2022 haalt nog steeds meer dan één van de vier promovendi de eindstreep niet. Dat betekent dat er dus per jaar ruim 1600 promovendi vroegtijdig uitvallen. Daar ligt dus ruimte voor verbetering. Bijvoorbeeld door het verder verbeteren van werving en begeleiding van promovendi. Maar ook door nog meer gebruik te maken van professionele graduate schools. Dat we nog meer gebruik moeten maken van professionele graduate schools. Tot slot: om de valkuilen van promotietrajecten snel te herkennen, lees ‘Nooit meer Slapen’!