Willen rectoren academische vrijheid? Dan moeten ze beter luisteren

Om de academische vrijheid te beschermen zouden universiteiten democratischer moeten worden. Dat blijkt de rode draad in een landelijke bijeenkomst hierover, waar alle universiteiten aan meededen.

Rector Tom Veldkamp tijdens de bijeenkomst. Foto: Ilsoo van Dijk, Nationale Dialoog Academische Vrijheid.

Zo’n tachtig beleidsmakers, bestuurders, rectoren en andere academici komen op een vrijdagochtend bijeen in een donker theaterzaaltje van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daar gaan ze over academische vrijheid praten.

Een jaar geleden waarschuwden de rectoren van de universiteiten in een brief dat de academische vrijheid onder druk staat. Ze wilden hierover een ‘nationale dialoog’ aanzwengelen. Sindsdien zijn aan alle universiteiten bijeenkomsten rond academische vrijheid gehouden.

Dit is de eerste landelijke bijeenkomst. Hier in het theaterzaaltje presenteren afvaardigingen uit alle hoeken van het land op posters de uitkomsten van hun eigen universiteit. Wat zien ze als bedreigingen voor de academische vrijheid? Hoe kun je die versterken?

Intimidatie

Academische vrijheid is kortweg de vrijheid om te onderzoeken en doceren wat je wilt. Je moet met elkaar van inzicht kunnen verschillen en openstaan voor argumenten. Die vrijheid wordt in de praktijk altijd begrensd, bijvoorbeeld door de financiering. Maar andere dreigingen zijn er ook, bijvoorbeeld intimidatie, censuur en populisme.

Ook de studentenprotesten en -bezettingen van de afgelopen tijd hebben hun sporen nagelaten. Zo benadrukken veel posters het belang van het leren omgaan met meningsverschillen. We moeten het oneens kunnen zijn, maar dat moet wel ‘respectvol’ (schrijft TU Eindhoven) of ‘veilig’ (Rijksuniversiteit Groningen).

Israël wordt niet bij naam genoemd, maar bijvoorbeeld Tilburg University vindt wel: ‘Onderzoekers moeten (met de juiste ondersteuning) zelf kunnen bepalen met welke internationale partners ze samenwerken.’ ‘We moeten leren moeilijke gesprekken te voeren over academische vrijheid’, staat op de poster van de TU Delft.

Nieuwsgierigheid

Natuurlijk komt ook de financiering aan bod. De Wageningers willen meer geld voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek, staat op hun poster. En ook de rectoren schreven zoiets in hun brief en verzetten zich tegen de gedachte ‘u vraagt, wij draaien’: ‘Kennisontwikkeling dient de samenleving het meest wanneer zij voortkomt uit een onafhankelijke drang naar inzicht.’

Maar ook dat roept discussie op. Sicco de Knecht van het Nationaal Expertisecentrum Wetenschap en Samenleving hekelt in een kort betoog dat ene ‘typerende’ zinnetje van de rectoren. Is het niet paternalistisch om tegen de burger te zeggen: bemoei je er niet mee, daar ben jij het meest mee gediend. Wie bepaalt eigenlijk dat de nieuwsgierigheid van wetenschappers waardevoller is dan de nieuwsgierigheid van burgers, vraagt De Knecht.

Niet democratisch genoeg

Al dit soort discussies (met wie werk je samen, wat wil je onderzoeken, waarover geef je les?) komen steeds terug bij de vraag: wie bepaalt dit eigenlijk? En dan moet de universiteit de hand in eigen boezem steken, vinden veel aanwezigen.

Aan verschillende tafels gaan de deelnemers met elkaar in gesprek. Er vallen grote woorden, over hoe de academische vrijheid de democratie versterkt (want de wetenschap levert onafhankelijke en betrouwbare informatie), maar ook waarschuwingen tegen zelfgenoegzaamheid (die academische vrijheid wordt betaald met belastinggeld, dus de samenleving mag zich er best een beetje mee bemoeien).

Maar steeds weer komt het gesprek op de democratie binnen universiteiten. Die staat onder druk, menen verschillende aanwezigen. Bestuurders doen wat ze willen. In Utrecht bijvoorbeeld schrapte het bestuur een Engelstalig opleidingstraject zonder de bacheloropleiding zelf te consulteren of zelfs maar te informeren. ‘Zo democratisch zijn we niet’, zegt een van de aanwezigen.

Een bestuurder die, net als anderen, liever anoniem blijft om vrijuit te kunnen spreken, legt uit dat ze helemaal niet zoveel te vertellen heeft. ‘We moeten elke beslissing met iedereen bespreken’, zegt ze.

Het maakt weinig indruk op de anderen. Verschillende aanwezigen menen dat bestuurders niet meer weten wat er op de werkvloer leeft. Ze missen de aansluiting met studenten. Trouwens, die studenten zelf mogen ook weleens een lesje democratie krijgen. ‘Moeten we niet aan burgerschapsonderwijs gaan doen op de universiteit’, vraagt iemand uit Utrecht zich af.

‘Groepstherapie’

Dat het in een dialoog over academische vrijheid steeds over de interne democratie gaat, snapt de Leidse universiteitshistoricus Pieter Slaman wel. Hij is hier niet alleen als wetenschapper, maar ook als ‘themadrager academische vrijheid’ van de Universiteit Leiden. Democratie en academische vrijheid horen bij elkaar, legt hij na afloop uit.

‘Academische vrijheid gaat ook over het vermogen om je eigen gemeenschap vorm te geven en het recht om je eigen instelling te bekritiseren’, zegt Slaman. ‘Maar universiteiten lijken sinds de jaren negentig steeds meer op bedrijven en daardoor lopen degenen die verandering willen tegen een muur op. Tegelijkertijd, als je een democratie wilt zijn, moet je ook leren leven met strijdige standpunten. Juist binnen universiteiten heerst nooit één waarheid.’

Tot een duidelijke conclusie leidt de dialoog vandaag niet, maar dat is ook niet het enige doel, denkt Slaman. Het is tot op zekere hoogte ‘navelstaarderij’, zegt hij, ‘maar binnen universiteiten zijn de spanningen de afgelopen tijd zo hoog opgelopen, dat we nu eerst in groepstherapie moeten.’

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.