Europese wetenschappers kunnen bij onderzoeksraad ERC aankloppen voor een onderzoeksbeurs. De competitie is stevig, maar Nederland doet het goed: in de afgelopen twintig jaar tijd kreeg het bijna tien procent (zo’n drie miljard euro) van het verdeelde geld.
Bijna achttien procent van de aanvragen uit Nederland wordt gehonoreerd. Dat is het hoogste percentage binnen de EU. Met een succesvolle aanvraag kan een individuele wetenschapper 1,5 tot 2,5 miljoen euro onderzoeksgeld krijgen.
Maar niet alle landen zijn even succesvol. Vooral landen uit Centraal- en Oost-Europa slepen relatief weinig beurzen in de wacht. Het zorgt voor een vicieuze cirkel: succesvolle landen bouwen steeds meer ervaring op en blijven geld binnenhalen, terwijl andere landen er moeilijk tussen komen.
Zonde, vindt de Poolse wetenschapper Leszek Kaczmarek, voorzitter van de ERC-werkgroep die zich inzet voor bredere Europese participatie: ‘We verliezen daardoor ontzettend veel talent’, zegt hij in een telefonische toelichting. ‘Dat betekent gemiste ontdekkingen, inzichten en technologieën waarvan heel Europa had kunnen profiteren.’
![]()
© HOP. Bron: ERC (2007-2025).
Grote verschillen
De achterhoede bestaat uit vijftien EU-landen. Samen vertegenwoordigen ze ongeveer een kwart van de EU-bevolking. Deze landen doen het inmiddels iets beter, meldt de ERC in een nieuw rapport, maar ze lopen nog altijd achter op de rest.
In bijvoorbeeld Griekenland, Tsjechië en Polen is de situatie verbeterd. De afgelopen jaren lag het slagingspercentage van deze drie tussen de acht en tien procent. In 2007-2011 was dat nog drie procent of minder, blijkt uit ERC-cijfers die tot 2007 teruggaan.
Toch bemachtigen de achterblijvende vijftien EU-landen nog steeds relatief weinig beurzen. Nederland kreeg er de afgelopen vijf jaar twee keer zoveel als al deze landen samen. ‘Het is positief dat de slagingspercentages stijgen, maar het aantal aanvragen blijft laag’, zegt Kaczmarek. ‘Veel onderzoekers in deze landen beginnen er niet eens aan, omdat ze denken dat ze toch geen kans maken.’
![]()
© HOP. Bron: ERC (2007-2025).
Onderzoeksklimaat
Volgens het ERC-rapport ligt het lage slagingspercentage vooral aan het onderzoeksklimaat: de landen bieden simpelweg minder kansen voor wetenschappers. Zij krijgen weinig ondersteuning bij subsidieaanvragen en hebben minder internationale contacten die hen verder kunnen helpen.
De verandering moet dus vooral uit de landen zelf komen, stelt de ERC. Volgens Kaczmarek ligt de grootste kracht van de ERC in zijn soft power: ‘De ERC kan landen aansporen om hun academische cultuur te verbeteren en meer kansen te bieden aan wetenschappelijk toptalent.’ Dat, zegt hij, zal meer teweegbrengen dan alleen maatregelen en programma’s.
Maar een beetje hulp kunnen ze wel gebruiken. Zo richtte de onderzoeksraad in 2016 al een uitwisselingsprogramma op, waarbij een wetenschapper uit bijvoorbeeld Polen of Hongarije een paar maanden mee kan draaien met een onderzoeksteam in landen als Frankrijk, Duitsland of Nederland.
Daarnaast startte de ERC in 2021 een mentorprogramma, waarbij succesvolle wetenschappers advies en training geven bij het voorbereiden van een aanvraag. In 2025 investeerde de ERC bovendien 1,5 miljoen euro in het versterken van de nationale contactpunten, zodat onderzoekers begeleiding en advies in eigen land kunnen krijgen.
‘Postcode bias’
Daarnaast waarschuwt Kaczmarek dat er sprake kan zijn van bias op grond van ‘postcode’: waar je vandaan komt beïnvloedt je kans op een beurs. Beoordelaars kunnen dit onbewust laten meewegen en daarom is het belangrijk dat zij op dit risico gewezen worden.
Kaczmarek vergelijkt het met genderongelijkheid in onderzoek. ‘Jarenlang hadden vrouwen veel minder succes bij het aanvragen van onderzoeksbeurzen’, vertelt hij. ‘Pas toen de wetenschappelijke gemeenschap dit erkende, kwam er verbetering. Men realiseerde zich dat onbewuste vooroordelen een rol speelden bij de beursaanvragen.’
‘Dat is niet alleen onethisch, maar ook ontzettend zonde’, zegt hij. ‘We verspilden talent door vrouwen niet de kans te geven hun volle potentieel te benutten. Hetzelfde geldt nu voor onderzoekers uit deze vijftien landen.’
Happy islands
De ERC hoopt dat er uiteindelijk steeds meer zogenoemde ‘happy islands’ zullen ontstaan in de achterlopende landen, waar het succes van enkele onderzoekers anderen inspireert om ook een kans te wagen. Deze eilanden moeten we vooral steunen, zegt Kaczmarek: ‘Talent moet gekoesterd worden.’