Geld op de plank door ‘optimisme’

Hoe kan het toch dat universiteiten en hogescholen zo vaak geld overhouden aan het einde van het jaar? Een van de redenen: ze zijn te optimistisch als ze plannen maken.

Elk jaar stuurt het kabinet een overzicht van de financiële gezondheid van het onderwijs naar de Tweede Kamer. Van basisschool tot universiteit staan de reserves en uitgaven opgesomd in De Financiële Staat van het Onderwijs.

Om allerlei redenen eindigen universiteiten al jarenlang met een overschot. Ze worden steeds rijker. De hogescholen schreven weliswaar twee jaar lang rode cijfers, maar opeens staan ze weer 112 miljoen euro in de plus. En zo gaat het niet alleen in het hoger onderwijs.

Op de plank

‘De toename van reserves in het onderwijs is moeilijk uit te leggen, in een tijd waarin de maatschappelijke roep klinkt om structureel meer geld voor het onderwijs’, schrijven minister Slob en Van Engelshoven in hun reactie. ‘Het baart ons dan ook zorgen dat er geld op de plank blijft liggen dat is bedoeld voor onderwijs.’

Ze lieten onderzoeksbureau Oberon uitzoeken hoe het toch kon gebeuren. Sommige oorzaken waren wel bekend, bijvoorbeeld dat de politiek soms aan het eind van het jaar een smak geld overmaakt voor een of ander doel, dat dan niet meer uitgegeven kan worden en even op de plank blijft liggen.

Ook is de overheid onvoorspelbaar. Zo krijgen de instellingen soms extra geld vanwege de inflatie, maar soms ook niet: waar moet je dan op rekenen? En probeer alfa- en gammafaculteiten maar eens te vertellen dat ze moeten interen op hun reserves als ze binnenkort een bezuiniging tegemoet kunnen zien: het ministerie verschuift immers 100 miljoen naar bèta en techniek.

Optimisme

Maar Oberon heeft nog een reden voor de hoge reserves boven water gehaald: optimisme. Het gaat misschien tegen de intuïtie in, want je zou denken dat optimisten met geld smijten en juist eerder in de rode cijfers terechtkomen, maar het werkt anders.

Opleidingen en instellingen zetten soms allerlei dure plannen in hun begroting, maar overschatten de snelheid waarmee die worden uitgevoerd. Het duurt bijvoorbeeld langer voordat een project van start kan of het lukt niet om meteen geschikt personeel te vinden. Daardoor lopen de projecten vertraging op en wordt het geld doorgeschoven naar het jaar erna.

‘De instellingen vinden dit planningsoptimisme onwenselijk en besteden er daarom tijdens het begrotingsproces in toenemende mate aandacht aan’, schrijven de onderzoekers van Oberon.

Weerstand

Verder is een praktisch probleem dat een tekort op de begroting weerstand oproept, vooral bij de Raad van Toezicht en de faculteitsdirecteuren. ‘Bij faculteiten is een grote zorg dat alles waar ze nu in gaan investeren binnen een paar jaar weer teruggedraaid moet worden’, zegt een van de geïnterviewden tegen Oberon. Want een tekort kan natuurlijk niet eeuwig duren.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.