‘Promotierecht moet aan elke universiteit worden verruimd’

| HOP, Inge Schouten

Sinds 2017 mogen ook niet-hoogleraren als promotor optreden. Maar de universiteiten spraken samen af dat dit alleen voor hoofddocenten zou gelden. Daar houdt niet elke instelling zich aan, blijkt uit onderzoek van De Jonge Akademie.

Photo by: Gijs van Ouwerkerk

In 2017 stemde ook de Eerste Kamer in met een wetsvoorstel van toenmalig minister Bussemaker: niet alleen hoogleraren, maar alle gepromoveerde universitaire docenten konden promotor worden. De universiteiten vonden deze uitbreiding van het ius promovendi te ruim en stelden in VSNU-verband aanvullende richtlijnen op. Daarin staat als belangrijkste voorwaarde dat alleen universitair hoofddocenten als promotor mogen optreden, mits zij goede onderzoekers en begeleiders zijn.

De Jonge Akademie was blij met de wettelijke verruiming. De jonge wetenschappers maakten zich daar al jaren hard voor. Want waarom krijgt een hoogleraar alle credits voor de begeleiding van promovendi, terwijl het regelmatig anderen zijn die het werk doen, was hun belangrijkste argument.

Restrictief 

Ruim een jaar na de wetswijziging wilde De Jonge Akademie weten hoe de universiteiten gebruikmaken van het nieuwe promotierecht. Ze legde alle promotiereglementen naast elkaar. ‘De verschillen blijken enorm’, zegt Martijn Wieling, vicevoorzitter van De Jonge Akademie. ‘Dat laat zien dat veel universiteiten het niet eens zijn met koepelorganisatie VSNU. Haar richtlijnen zijn ook volgens ons te restrictief.’

Uit het overzicht dat De Jonge Akademie heeft gemaakt blijkt dat met name de twee Amsterdamse universiteiten het ius promovendi ruimer toepassen. Daar kunnen ook gepromoveerde universitair docenten het promotierecht krijgen. Eventueel pas als het PhD-traject al van start is gegaan, terwijl de VSNU voorschrijft dat er vooraf besloten moet zijn wie de promotor is.

Twente en de Wageningen Universiteit zijn veel minder flexibel. Daar mogen universitair docenten geen promotor zijn. Ook wordt tussen hoofddocenten nog een extra onderscheid gemaakt: wie op weg is naar het hoogleraarschap, heeft een streepje voor.

Expert

De Jonge Akademie wil dat op universiteiten dezelfde flexibele regels gaan gelden. Alle universitair docenten die als voornaamste expert een promovendus begeleiden, zouden promotor moeten kunnen zijn, zegt Wieling. Maar wie ziet toe op de kwaliteit van de begeleiding, als steeds meer wetenschappers het ius promovendi krijgen? Volgens Wieling moet je daar wel eisen aan stellen; wie niet goed begeleidt, kan geen promotor zijn. Maar dat geldt wat hem betreft net zo goed voor hoogleraren. ‘Dat zijn ook niet altijd goede begeleiders.’

Goede begeleiding

Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) vindt dat ook: als een hoogleraar of universitair docent geen goede begeleider is, dan moet het promotierecht niet worden verleend of moet het weer worden afgenomen. Een ruimer ius promovendi is prima, zolang dit maar is gebaseerd op kwaliteit en niet op status, zegt voorzitter Anne de Vries.

‘Als meer mensen promotor kunnen worden, krijgen universiteiten een grotere verantwoordelijkheid om toe te zien op goede begeleiding. Nu is dat nog problematisch. Universiteiten grijpen te weinig in als een hoogleraar zijn werk niet goed doet’, aldus De Vries.

Een promovendus heeft momenteel gewoonlijk één promotor die hoogleraar is, en een dagelijks begeleider – ook wel copromotor – die vaak universitair hoofddocent is. De Vries pleit ervoor om twee promotoren aan te stellen. Hoewel de status van de promotor niet leidend zou moeten zijn, vindt ze het toch belangrijk dat van die twee promotoren er één hoogleraar is. ‘Je wilt voorkomen dat de beoordelingscommissie extra kritisch is omdat je door twee universitair docenten wordt begeleid. Titels zijn binnen de academie nu eenmaal belangrijk.’

Vicevoorzitter Wieling vindt dat geen slecht idee. Hij wijst erop dat sommige universiteiten nu al twee promotoren aanstellen.