Deze cijfers van de UT, en daarnaast die van andere overheids- en bedrijfsinstellingen, werden onlangs gepresenteerd in een rapport en overhandigd aan premier Mark Rutte. De vorderingen van alle instellingen worden jaarlijks bekeken en geanalyseerd door een commissie van Charter Talent naar de Top, waarna per instelling een rapport gemaakt wordt.
Die commissie concludeert dat de UT aan verschillende voorwaarden voldoet om haar doelstellingen te halen, namelijk: diversiteit als strategie, managementafspraken, inzet van HR-instrumenten en interne- en externe communicatie over dit beleid. Zo bestaan er op de UT arbeidsvoorwaarden die leidinggeven in deeltijd mogelijk maken, die flexibel werken toestaan en ouderschapsverlof faciliteren. Ook heeft het college van bestuur zich gecommitteerd aan de doelstellingen om meer vrouwen in de top te krijgen, zijn er aparte loopbaantrainingen voor vrouwen en wordt vrouwelijk WP talent gestimuleerd via het mentorenprogramma. Daarnaast streeft men in de werving en selectieprocedure naar vrouwen op de shortlist.
Desondanks kan het beter, vindt de commissie en komt vervolgens met de volgende aanbevelingen: Het opnemen van genderdiversiteit in de algemene UT-strategie. Managementafspraken, ook met kleinere eenheden zoals vakgroepen en directies, Duidelijker in het huidige beleid aangeven welke maatregelen op OPB en welke op WP gericht zijn. Het identificeren van cultuuraspecten die ervoor zorgen dat vrouwen minder goed de top bereiken en onderzoeken of er geen ongewenste uitstroom optreedt onder deze vrouwen. Ook beveelt de commissie aan om het mentorenprogramma uit te breiden naar OBP.
Sinds de ondertekening van Charter Talent naar de Top is het aantal vrouwen in de OBP-top (vanaf schaal 14) toegenomen van 8 naar 11, in percentages is dit van 23% naar 27%. Dit is in lijn met het streefcijfer voor 2014: 32% OBP vrouwen in de top. In de subtop is het percentage vrouwen slechts 21%, dit is te laag om als talentpool voor de top te dienen, aldus de commissie. Als de UT op dit gebied vergeleken wordt met Delft en Eindhoven die respectievelijk 33 en 40% als streefcijfer voor OBP vrouwen hebben, blijkt dat de UT met een streefwaarde van 32% achter loopt. Voor de subtop komt het streefcijfer van de UT lager uit als dat van de benchmark: 21% versus 29%.