De organisatie rondom opleidingen moet uniformer. Taken en verantwoordelijkheden zullen verschuiven van individuele docenten naar opleidingsdirecteuren. De stuurgroep Bedrijfseconomische Aspecten van het Onderwijs (BAO) ontwikkelde een model voor de kosten van opleidingen. ‘Bijvangst’ van het onderzoek was de grote diversiteit in de organisatie van opleidingen.
Volgens het eindrapport van de stuurgroep, die onder leiding stond van rector Ed Brinksma, bestaan er grote verschillen tussen en binnen faculteiten als het gaat om de manier waarop het onderwijs is georganiseerd. Bij sommige opleidingen worden vrijwel alle beslissingen centraal genomen door de opleidingsdirecteur, bij andere bepaalt de docent zelf inhoud en vorm van een vak. Brinksma verklaart dit uit het open karakter van de UT, de ‘cultuur van vrijheid blijheid’ in de goede zin van het woord. ‘Consequenties daarvan zijn dat dingen minder strak geregeld zijn. Soms gaan zaken terug op persoonlijke afspraken, niet op formele regels,’ aldus de rector. ‘Nu de UT geëvolueerd is tot een complexe organisatie met veel opleidingen blijkt deze oude manier van regelen niet meer te voldoen. We moeten het uniformer aanpakken en als instelling de organisatie bewaken.’
Dat maakt het monitoren van kwaliteit gemakkelijker en het iskostenefficiënter. Dat eerste wordt belangrijker aangezien het gewicht van opleidingsaccreditaties verschuift naar een instellingsaccreditatie. Brinksma: ‘Om dan aan te tonen dat je onderwijs van goede kwaliteit biedt, moet je de regie hebben.’
De diversiteit in organisatievormen kwam als bijvangst bovendrijven toen de stuurgroep BAO werkte aan een model om de bekostiging van het onderwijs te berekenen. Eigenlijk zou daarover eind 2010 al worden gerapporteerd maar door de complexe organisatie ligt er nu pas een model. Met variabelen zoals studentaantallen, contacturen, onderwijsvormen en toetsvormen als input kan er per opleiding een kostenplaatje worden geschetst.
Binnenkort zullen alle opleidingen via dit model ‘getoetst’ worden. Ook zal een (veel eenvoudiger) rekenmodel worden gemaakt van de batenkant: wat levert een student van elke opleiding op? Brinksma benadrukt dat het niet de bedoeling is dat de UT nu automatisch ophoudt met opleidingen waarop wordt toegelegd. ‘Dit model geeft ons de mogelijkheid te berekenen hoe groot een opleiding moet zijn om uit te kunnen. Je kunt hiermee geïnformeerd een debat houden over waarom je studies in stand wilt houden en of je je dat kunt veroorloven.’
Het model wordt niet alleen toegepast op de huidige opleidingen maar is juist ook bedoeld om vooraf door te rekenen hoe het onderwijs in de nieuwe bachelors kostenefficiënt ingericht kan worden. Daarbij is het mogelijk te spelen met diverse variabelen. ‘Wat gebeurt er als kleinere groepen worden gemaakt? Wat als meer hoogleraren in het eerste jaar college geven? Wat als we naar eenheden van 15 EC gaan? In hoeverre bepaalt dit de eindprijs?’, verduidelijkt Brinksma.
Daarbij onderstreept hij het belang de kwaliteit en de onderwijsfilosofie niet uit het oog te verliezen. ‘Ik ben tegen het beeld dat we alleen de kostenkant willen optimaliseren. We zijn niet op zoek naar de goedkoopste oplossingen, wel naar een optimale prijs-kwaliteitverhouding.’