Woordspelletjes
Een kegel en een prisma, daar hadden we wel eens van gehoord. En zelfs het begrip parallellogram was niet helemaal nieuw voor ons. Maar wat heb je er aan? Leuk voor Scrabble denken we hoogstens. Wij spelen nu eenmaal graag met woorden. Al lijkt de kans ons verwaarloosbaar klein dat als op het spelbord ‘parallel’ ligt, je net die overige zes letters op je plankje hebt staan.
Bovendien, waar hebben we het over? Echte wiskundigen halen geen bevrediging meer uit een parallellogram. Dat is maar een simpel figuur in een plat vlak. Saai! De hardcore mathematicus wil de ruimte in. Een voetbal bijvoorbeeld. Dat is een veelvlak met twintig vijfhoeken en twaalf zeshoeken. Keurig aan elkaar genaaid. Tel maar na. Al levert ook dat nauwelijks voldoening op. Pas bij honderd vlakken of meer wordt de diehardwiskundige een beetje warm van binnen.
Wiskundeleraar en kunstenaar Paul van Veen pakte het radicaal aan. 2.400 driehoeken, 7.200 vierkanten, 1.440 vijfhoeken en 2.400 zeshoeken gebruikte hij om in de Waaier een reusachtig kunstwerk neer te zetten ter gelegenheid van het Nederlands Mathematisch Congres 2011.
Imposant, maar hoe noem je zoiets? Van de Veen bladerde eens door het woordenboek en dacht: een rhombicosidodecahedrische diprismatohexacosihecatonicosachoron. Een wat? Juist ja, een mooie tongbreker. Leuk om uit je hoofd te leren voor Scrabble zullen veel mensen zeggen. Wij woordspelletjesfanaten weten wel beter. Een Scrabblebord telt vijftien bij vijftien vakjes en daarmee kom je er echt niet. Bij Lingo, Tien voor Taal, That’s the Question en andere tv-spelletjes heb je er evenmin wat aan. ’t Is hoogstens leuk voor galgje. Wedden dat je wint?