‘De beste hardlooptechniek die iedereen zich zou moeten aanleren bestaat niet,’ begon Reenalda. ‘Wie dat denkt moet ik teleurstellen. Hardlopen is contextspecifiek. Het is onder meer afhankelijk van snelheid en afstand. Een losse marathon of een marathon uit een triatlon vereisen bijvoorbeeld twee verschillende looptechnieken. Maar de looptechniek is ook persoonsafhankelijk.’
Er is in hardloopland veel te doen over het landingspatroon, dus of je bij het lopen eerst op je hak of eerst op je voorvoet landt. ‘Vooral het landen op de hak is in opspraak gekomen, omdat bij een haklanding meer lichaamsgewicht op de voet komt. Er is een grotere grondreactiekracht. Wanneer je op je voorvoet landt, is die veel kleiner en worden bijvoorbeeld de knieën minder belast. Wanneer lopers op blote voeten lopen, het zogenaamde bare foot running, landen ze eerder op de voorvoet. Door het lopen op schoenen ben je meer geneigd op je hak te landen. Ze maken je voeten lui. Dit betekent niet dat je altijd blootsvoets moet lopen, maar het is wel goed om het af en toe te doen. Op deze manier train je je voetspieren die zwak zijn geworden door lopen op schoenen. Je loopt bij bare foot running overigens niet letterlijk op blote voeten. Je trekt schoenen aan met een hele dunne zool die hetzelfde effect hebben als lopen op blote voeten.’
Sinds kort is er een hakloze hardloopschoen op de markt. ‘Deze schoen is ontwikkeld vanuit het idee dat een haklanding niet de juiste landing is en zou het landen op de voor- en middenvoet stimuleren. De schoen is uitgebreid getest in ons lab en gebleken is dat er nauwelijks verschil is met conventionele schoenen. Er zijn geen effecten op het landingspatroon en de grondreactiekracht blijft gelijk. Een haklander blijft een haklander en een voorvoetlander blijft een voorvoetlander. Een schoen alleen zal dus nooit voor verandering in het looppatroon zorgen. Er is altijd een trainingsprogramma voor nodig.’
Reenalda had ook nog tips voor lopers die trainen voor bijvoorbeeld de Enschede Marathon of de Batavierenrace. ‘Zorg voor een variatie in loopstijlen. Gebruik tijdens het trainen verschillende paslengtes en wisselende snelheden maar loop vooral ook op verschillende ondergronden. Train dus op asfalt en op bospaden. Als je tijdens een wedstrijd moe wordt, kun je eenvoudiger omschakelen naar een andere techniek aangezien je je die eerder eigen hebt gemaakt.’