Maaike Platvoet
Zijn ouders zagen het helemaal niet zitten dat hun zoon naar die pionierende campus in het oosten van het land vertrok. Techniek studeren deed je immers in Delft, zo vonden zij. ‘Maar bij mij sloeg de vonk direct over,’ vertelt De Bruijn. De eerste twee jaar woonde hij verplicht op de campus, aan de Calslaan. ‘Dat benauwde op een gegeven moment wel. De wegen werden naar de campus werden ’s avonds – ook letterlijk, met kettingen – afgesloten omdat men de studenten dan aan het studeren wilde hebben. Op een gegeven moment kwamen wij daartegen natuurlijk in opstand, maar het schetst wel een beeld van die tijd.’
De Bruijn werd in 1966 voorzitter van de eerste studentenraad Drienerlo. Met medestudenten wilde hij het wonen in de stad stimuleren en richtte daartoe de Stichting Studentenhuisvesting op. ‘Daarvoor ben ik nog op het matje geroepen bij de rector, want dat deed natuurlijk afbreuk aan de campusgedachte.’
Na het behalen van zijn baccalaureaat vertrok de student naar Amerika, waar hij in Massachusetts studeerde voor zijn masters degree. Een compleet andere wereld, zo vond hij het Amerikaanse onderwijssysteem. ‘Echt een eye opener, veel competitiever vooral.’ Uiteindelijk keerde De Bruijn weer terug naar Twente, waar hij promoveerde aan de UT en al snel bij de afdeling Werktuigbouwkunde in contact kwam met de eerste ontwikkelingsprojecten. ‘Ik ben toen voor de UT vijf jaar uitgezonden naar Indonesië om onderzoek te doen naar de modernisering van de Indonesische industrie aan het Bandug Institute of Technology. Daarna volgde een project over het opzetten van postacademisch onderwijs. Al met al ben ik tien jaar in Indonesië geweest voor de UT.’
De Bruijn: ‘Mijn verblijf in Indonesië is heel bepalend geweest voor mijn carrière. Ik kwam natuurlijk uit een Europese cultuur en ontdekte daar hoe culturele invloeden van belang zijn in ontwikkelingshulp. Ik vond dat fascinerend.’
Het was dan ook niet meer dan logisch dat toen de vakgroep Ontwikkelingskunde werd opgericht, in 1980, De Bruijn solliciteerde en hij terugkeerde naar Twentse bodem. ‘Het was in die tijd heel controversieel als je je met bedrijfsontwikkeling in ontwikkelingslanden bezighield. Ik zag echter al snel in dat traditionele ontwikkelingsprojecten niet zo succesvol waren als gedacht. Landen gingen er juist wel op vooruit als de industrie op gang kwam.’ Studenten pikten zijn activiteiten op, er gingen steeds meer afstudeerders naar Zuidoost-Azië. Met gepaste trots: ‘Mijn eerste Chinese promovendus op de UT kwam in 1993. Die brak de contacten met China open.’
In 1990 wordt De Bruijn benoemd tot hoogleraar van de leerstoel Bedrijfsvoering in Niet-Westerse Landen. De professor reisde veel voor zijn werk, probeerde zo veel mogelijk alle studenten te bezoeken op hun afstudeeradres. Vaak koppelde hij meerdere bezoeken aan elkaar, wat soms betekende dat hij lange tijd van huis was. ‘Dat was intensief, helemaal om alles te plannen naast de colleges die ik gaf. Toch was het ook boeiend en onontbeerlijk omdat ik daar opgedane kennis direct in de colleges kwijt kon.’
Hij herinnert zich nog een onverwachte ontmoeting op het vliegveld van Hong Kong, waar hij werd aangesproken door een man. Het bleek een student te zijn geweest van De Bruijn, die nu als supervising manger voor Philips door heel Zuidoost-Azië reisde. ‘Dat ik daar met mijn onderwijs een steentje aan heb bijgedragen, daar gaat het om. Dat geeft enorm veel voldoening.’
Onderwijs heeft hem altijd gefascineerd, in combinatie met de verschillende nationaliteiten waar hij mee in aanraking kwam. Cijfers heeft De Bruijn dan ook zo paraat: ‘In totaal gaat het om 1.300 afstudeerders die ik heb begeleid in 40 verschillende landen, honderden stages, 36 promoties aan de UT uit 14 verschillende landen.’ Deze week [gisteren, red.] begeleidde hij zijn laatste twee promoties: een PhD-student uit Libië en een PhD-student uit Pakistan. ‘Dat overbrengen van kennis is, hoe dan ook, altijd bij mij de rode draad geweest en mijn drive.’
Op de vraag of idealisme ook een rol heeft gespeeld in zijn drijfveren, zegt de hoogleraar resoluut nee. ‘Zeker niet in de zin van wereldverbeteraar. Ik beschouw mezelf als een professional die zijn vakkennis heeft ingezet.’
Wat De Bruijn bijzonder is bijgebleven is het ‘opengaan en ontwikkelen’ van de bedrijven in China. ‘Dat zorgde er destijds voor dat we er ook honderden afstudeerders konden plaatsen.’ Waar nu nog kansen liggen op onderwijs- en onderzoeksgebied is Afrika, vindt De Bruijn. ‘De ontwikkelingen in Egypte zijn daar een klein onderdeel van, maar het zegt wel iets over het proces dat gaande is in Afrika.’
Veel meer wil hij niet kwijt over de toekomst, want dat is ‘iets voor volgende generatie’. ‘Ik heb ook nog geen idee of mijn leerstoel wel weer wordt ingevuld.’ De Bruijn wil zich nu op zijn hobby’s richten, waaronder onderzoek doen naar de historie van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Reizen zal hij dus zeker blijven doen. Lachend: ‘Al zal het in mindere mate zijn.’ En verder? ‘Ik heb nog tweeduizend boeken liggen, dus dat komt wel goed.’
![]()
Erik Joost de Bruijn bladert door albums met oude foto’s en krantenberichten die hij in de loop der jaren verzamelde over zijn UT-periode. (Foto: Gijs van Ouwerkerk)