‘Alle masterprogramma’s zijn geaccrediteerd en daarmee dus in orde’, zegt Petra de Weerd-Nederhof, hoogleraar en opleidingsdirecteur Master Opleidingen. ‘Maar de kwaliteit kan hoger. Wil de UT marktaandeel behouden op de steeds mondialer markt, dan moet de lat hoger worden gelegd.’
De projectgroep Schools kwam al eerder met een aantal aanbevelingen voor het masteronderwijs. Die houden onder andere in: verbeteren van de kwaliteit van de instroom, verbeteren van het internationale karakter, een betere samenhang tussen onderwijs- en onderzoeksbeleid, een betere identiteit van de opleidingen en het realiseren van een consistent beeld in de marketing van de opleidingen. ‘Die aanbevelingen vormen voor ons het uitgangspunt om mee verder te gaan,’ legt Rikus Eising uit. ‘We zijn uitsluitend inhoudelijk aan het werk en bewaren de discussies over structuren voor later. Dat wil zeggen dat de vorming van School nu niet op de agenda staat.’
De Weerd Nederhof: ‘We zijn tot een aantal deelgebieden gekomen voor de positionering en verbetering van de masteropleidingen. Een eerste belangrijk deelgebied is het waarborgen van het wetenschappelijk karakter van de masteropleidingen. Daarmee bedoelen we dat er een duidelijke relatie moet zijn tussen het masteronderwijs en het onderzoek bij faculteiten of in de onderzoeksinstituten. Docenten die les geven in een master moeten ook op dat gebied onderzoek doen.’ Punt twee is het realiseren van de UT-identiteit middels het 3O-concept (onderzoeken, ontwerpen, organiseren). Volgens De Weerd zijn sommige masters erg gefocust op één van de O’s. ‘Bijvoorbeeld op de master Technische Natuurkunde, die een duidelijke onderzoekscomponent heeft. Het kan gebeuren dat een student gaandeweg zijn master ontdekt dat hij of zij meer een ontwerper is. Dan moet daar ook aandacht aan besteed kunnen worden.’ Daarmee wordt meteen ook beter afgestemd op de behoefte van de markt en dan specifiek van die van de werkgevers. Andere verbeterpunten liggen volgens de projectgroep op het gebied van het creëren van een internationale leeromgeving, het invoeren van een aantal UT-specifieke kwaliteitseisen voor de instroom van studenten en het realiseren van excellentietrajecten.
‘Om dit te realiseren houden we maandelijks lunches met de opleidingsdirecteuren van alle masteropleidingen en voeren we individuele gesprekken met hen’, vertelt De Weerd-Nederhof. ‘Het gaat er daarbij vooral om dat we elkaar inspireren en stimuleren om het beter te doen. Dit is echter niet vrijblijvend, er zullen afspraken gemaakt worden over de doelen en acties om tot verbetering te komen. Dit voorjaar gaan daarvoor al de eerste pilotprojecten van start, waarbij ook over de grenzen van de opleidingen heen wordt samengwerkt.’ Eising benadrukt dat gezamenlijk optrekken belangrijk is omdat het UT-profiel door alle opleidingen samen wordt bepaald. Eising en De Weerd-Nederhof werken niet alleen. Er is een stuurgroep samengesteld waarin elke faculteit vertegenwoordigd is met een opleidingsdirecteur: Marloes Letteboer voor TNW, Rom Langerak voor EWI, André de Boer voor CTW, Fred Paats voor het ITC en Menno de Jong voor GW. Petra de Weerd-Nederhof van MB is de trekker voor de uitvoering. Koos Krabbendam (MB) en Kees Ruijter (CTW) van de voormalige projectgroep Schools zijn in de eerste fase ook betrokken bij de stuurgroep. Daarnaast is Anne van de Maat als projectsecretaris aangetrokken.